Gerrit Schulte (1916-1992)

wielrenner

Gerrit Schulte werd geboren op 7 januari 1916 in Amsterdam als zoon van Bernard Schulte en Greet Schouten. Vader was kleermaker aan het Van Beuningenplein 46. In oktober 1938 huwde hij met Toos van der Kley uit 's-Hertogenbosch en woonde vanaf die tijd definitief in deze stad. Zij kregen een dochter Fia en twee zonen, Gerry en Jan. Gerrit Schulte overleed op 26 februari 1992 in 's-Hertogenbosch.

De Amsterdamse Bosschenaar Gerrit Schulte was legendarisch in een tijdperk dat het wielrennen op de baan en vooral de zesdaagse wedstrijden, waar in duo's werd gereden, zeer populair waren. De grote, grofgebouwde Gerrit was eigenlijk voorbestemd om loodgieter te worden. Al zijn broers waren slagersjongen; hij zou iets anders moeten worden, vond zijn vader. Maar loodgieter werd hij niet; na vele baantjes kwam hij uiteindelijk in de wielersport. In 1933 startte hij als junior en in 1936 werd hij amateur. Hij behaalde dat jaar al acht zeges. Door zijn lengte - die hem de bijnamen 'de Bossche Reus' en 'de Blonde Reus' zou opleveren - had hij een onelegante stijl. Kenners stelden daarom al gauw vast dat hij nooit zou kunnen sprinten. Maar kruidenier en wielersportenthousiast Jan van der Kley uit Den Bosch zag veel in de jonge Schulte. Hij nodigde hem uit eens langs te komen als hij in de buurt was. De manier waarop Schulte op de uitnodiging inging, is tekenend voor die tijd. Voor een wedstrijd in Gulpen fietste Schulte met een maat daags tevoren de 250 kilometer van Amsterdam naar Zuid-Limburg. Na afloop van de wedstrijd op zondag fietsten ze terug naar Amsterdam, maar bedachten dat 's-Hertogenbosch een mooie etappeplaats zou vormen. Bij dit bezoek maakte hij kennis met Toos, de dochter van Jan van der Kley. Zij zou enkele jaren later zijn vrouw worden.

Al snel maakte hij naam. In het voorjaar van 1936 werd hij derde in de prestigieuze Grand Prix in de Jardin des Tuileries in Parijs. Toen hij in 1937 professioneel wielrenner werd, noemde de Franse pers hem al gauw 'Le Fou Pédalant' (de fietsende dwaas), een variatie op de bijnaam van de populaire zanger Charles Trenet, 'le fou chantant'. Men vond Schulte een renner die wel hard kon fietsen en zeer sterk was, maar het zou hem ontbreken aan het strategisch inzicht en intelligentie die nodig waren om te kunnen winnen. Schulte bewees later dat hij wel degelijk een winnaar was, maar hij koesterde de bijnaam als een geuzennaam.

Zijn eerste belangrijke overwinning boekte hij in 1938 toen hij de derde etappe van de Tour de France won. Het was op het nippertje, want de laatste kilometers was zijn achterband langzaam aan het leeglopen. Toch bleef hij het achter hem aanrazende peloton voor en bereikte als eerste de meet. Overigens zou hij in de 'Tour' verder weinig successen boeken. Zijn zware lichaamsbouw maakte hem volkomen ongeschikt voor bergetappes. Bovendien lag het hem niet om berekenend te rijden, zonder onnodige krachtsverspilling. Deze houding is nodig voor de Tour die drie weken duurt. 'Ik ben een man van rukken en duwen, van bravoure en van bombarderen. Ik wil vuurwerk en als men wil losbandigheid omdat dit nu eenmaal in mijn aard ligt', zei hij tegen wielerverslaggever Jan Cottaar. Schulte ging het accent leggen op het toen immens populaire baanrennen. Op de baan was bovendien veel meer geld te verdienen.

Zijn grootste faam vestigde hij als zesdaagse-renner. Zesdaagse wielerwedstrijden worden verreden op overdekte banen. In Nederland waren die er destijds niet, maar de Zesdaagse van Keulen en vooral die van Antwerpen waren ook in Nederland een begrip. De deelnemers aan zo'n koers vormen koppels: terwijl de een in de baan is, kan de ander uitrusten. In de tijd van Schulte was zo'n Zesdaagse niet alleen een sportief evenement. Soms leek het meer op een kermis. De atmosfeer was in ieder geval niet bevorderlijk voor sportieve prestaties: vooral 's avonds als de tribunes vol zaten, kon men de andere kant van de baan niet meer zien van de sigarettenrook. Het echtpaar Schulte ging daarom meteen na afloop van het baanseizoen enkele weken naar het Zwitserse Arosa om schone lucht in de longen van Gerrit te krijgen. Schulte reed in totaal 72 zesdagenwedstrijden; in de jaren veertig met Gerrit Boeyen uit Oss (Schulte-Boeyen, het koningskoppel), daarna in de jaren vijftig meestal met Gerard Peters en in de laatste jaren met Peter Post.

Schulte was geen gemakkelijk man; hij kon zich snel zeer boos maken. Zo sloeg hij in 1941 een official tegen de grond, een feit waarvoor hij door de wielerbond een jaar werd geschorst en een boete kreeg opgelegd van 5000 gulden. Een kapitaal bedrag in die tijd, toen men voor 8000 gulden een landhuis kon bouwen.

In de Tweede Wereldoorlog bleef deelnemen aan wedstrijden in België, Frankrijk en het neutrale Zwitserland; maar ook deed hij mee aan baanwedstrijden in Berlijn, Dortmund en Keulen, waar hij een bombardement meemaakte. Hij heeft zelf altijd gezegd dat hij door de oorlog geen wereldkampioen op de weg is geworden. Hij was op de top van zijn lichamelijke conditie, maar het wereldkampioenschap op de weg werd in die dagen niet verreden. Hij werd wel een aantal malen Nederlands kampioen op de weg. In de oorlogstijd werden de straatronden populair. Deze 'kermiskoersen' zouden na de oorlog enorm populair worden en een lucratieve bijverdienste vormen voor toprenners. Maar tijdens de oorlog was dat nog niet het geval. Schulte ging er financieel flink op achteruit en om zijn inkomsten op peil te houden, opende hij een café in de Bossche binnenstad.

Het wereldkampioenschap op de weg was dus niet voor hem weggelegd, maar op de baan slaagde er hij wel in om de 'Regenboogtrui', die behoort bij het wereldkampioenschap, te veroveren. Bij de Wereldkampioenschappen 1948 op de baan in het Olympisch Stadion in Amsterdam schakelde hij bij het onderdeel achtervolging eerst de Zwitser Hugo Koblet uit en won vervolgens in de finale van de legendarische, onverslaanbaar geachte Fausto Coppi. Om zijn vechtlust aan te wakkeren had Schultens trainer kort tevoren zijn zoontje Gerrie bij hem in de kleedkamer gebracht, die hem vroeg: 'Pappa, win jij voor mij een regenboogtrui?' In een adembenemende race, waarbij Coppi zelfs enige tijd voor lag, won Schulte met een uiterste krachtsinspanning. De overwinning maakte Schulte tot de populairste renner van die jaren.

Ondertussen bleef hij proberen om ook wereldkampioen op de weg te worden. Daarin ging hij heel ver. In Kopenhagen slikte Schulte tijdens de rit een 'ouweltje' - een tablet met een stimulerend middel - dat hij van tevoren van een vriend in zijn handen gestopt had gekregen. Maar al gauw merkte hij dat het niet hielp. Integendeel: de kopgroep liep steeds verder van hem weg. Toen vroeg hij bij elke ronde om een drinkfles melk om de werking van het gif te neutraliseren. Dat werkte en zodoende maakte hij in de voorlaatste ronde veel van zijn achterstand goed. Hij eindigde uiteindelijk toch nog als vijfde, maar hij was door de doping ook de dag erna nog volledig van de kaart, herinnert zijn echtgenote zich. Zijn belangrijkste overwinning op de weg behaalde hij in 1950. Toen won hij de klassieker Parijs-Roubaix. Het zal geen toeval zijn geweest dat hij deze koers op zijn naam bracht. De tocht door de 'Hel van het Noorden' vraagt veel kracht en doorzettingsvermogen.

In 1951 opende hij een restaurant bij het nieuwe Vliertstadion in 's-Hertogenbosch, maar hij bleef nog deelnemen aan kleinere koersen en aan wedstrijden op de baan. Hij was zich in deze periode bewust van zijn status van 'wielergeneraal': hij was niet alleen hard voor zijn tegenstanders maar ook voor zijn vrienden en voor zichzelf.

Op 25 maart 1960 nam hij, als 44-jarige, afscheid in een finalerace op de wielerbaan van Antwerpen. Op de ranglijst aller tijden stond hij toen zesde. Na afloop verlootte hij zijn fiets onder het publiek. Bij zijn afscheidsreceptie, die een maand later in 's-Hertogenbosch werd gehouden, kreeg hij de erepenning in zilver van de stad en op Koninginnedag 1960 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau.

Na zijn afscheid bleef hij nauw bij de wielersport betrokken. In 1964 was hij ploegleider bij de Tour de l'Avenir, de Tour de France voor amateurs. Maar door zijn ongeduld en gebrek aan tact was dit geen succes. De amateurs klaagden al gauw bij de bond over de scheldpartijen die ze van hem te verduren kregen. Daarnaast was hij ook ploegleider van de amateurwielerploeg Remington. Hij was als scout bij wielerkoersen voor nieuwelingen op zoek naar nieuw talent en verder was hij actief in de 'Club van 48', een groep journalisten en wielrenners die elk jaar de beste renner kozen. De tijd die er over bleef besteedde hij aan zijn favoriete hobby's als vissen, duivensport, biljarten en jagen, het liefst op wilde zwijnen.

Gerrit Schulte overleed op 26 februari 1992. Bij de start van de Tour de France in 's-Hertogenbosch in 1996 werd aan de voet van de Sint-Jan een muziektheaterstuk opgevoerd over zijn leven met de titel: 'Gerrit'.


Bronnen
• Jan Cottaar, 'Gerrit Schulte. Carrière op een racefiets. een elfdelige sportfeuilleton'. Januari/februari 1946
• Martin van Daal, Het wielerleven van Gerrit Schulte, le fou pédalant, 's Gravenhage [1960]
• W. van Eyle, Een eeuw Nederlandse wielersport; van Jaap Eden tot Joop Zoetemelk, Utrecht 1980
• W. van Eyle en Jacques Burremans, 100 jaar wegrenner. Nederlandse beroepsrenners en hun prestaties, Rijswijk 1994
• Interview met mevrouw T. Schulte-van der Kley, januari 2000


Dit artikel verscheen eerder in: J. Brouwers e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noord-Brabanders. Deel 6 (Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, 's-Hertogenbosch 2003).


Auteur: Cees Slegers

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon