Ton Smits (1921-1981)

cartoonist en kunstschilder

Ton Smits (Antonie Gerardus Smits) werd op 18 februari 1921 geboren in de Brabantse plaats Veghel. Toen hij vier jaar oud was, gaf hij al blijk van zijn tekentalent door opvallend rake karikaturen te tekenen. In die tijd vertelde hij ook graag grappige verhalen. Zijn ouders stimuleerden hem in de ontwikkeling van deze artistieke talenten. Vooral met zijn moeder ("moeke") had hij een zeer hechte band. Ze zouden vele jaren lang een onafscheidelijk stel vormen. In 1934 werd er voor het eerst een tekening van Ton Smits gepubliceerd. Deze werd geplaatst in De Kleine Apostel, een blaadje voor de katholieke jeugd.

In 1935 verhuisde het gezin Smits naar Eindhoven. Smits volgde HBS-onderwijs aan het plaatselijke Sint-Joris College. In die tijd droomde hij ervan om circusclown te worden. Hij zou deze jongensdroom nooit verwezenlijken, maar bleef wél altijd een zwak voor clowns en het circus behouden. Als HBS-scholier wist Smits geregeld tekeningen aan tijdschriften te verkopen; een kleine, maar welkome aanvulling op het gezinsinkomen in die crisisjaren.

Tussen 1939 en 1944 doorliep Ton Smits de Academie voor Kunst, Techniek en Ambacht in Den Bosch. Het laatste jaar was hij daar hospitant. Hij hoopte zo een mogelijke tewerkstelling in Duitsland te ontlopen. Ton Smits heeft zijn Academie-tijd niet als erg zinvol ervaren. Hij noemde zich later daarom ook wel autodidact. Smits had vooral een hekel aan de verplichte academieoefeningen in naschilderen (stillevens, stofuitdrukking, modeltekenen). Hij tekende ook toen al liever dat wat hij dacht, dan dat wat hij zag.

In de laatste oorlogsjaren tekende Smits karikaturen van verschillende nazi-leiders. Zijn familie hield deze spotprenten angstvallig verborgen. Pas na de bevrijding werden ze weer tevoorschijn gehaald. In de jaren 1944-46 gaf het Eindhovensch Dagblad Smits' tekeningen uit in de vorm van twee reeksen prentbriefkaarten. In bevrijd Europa zouden honderdduizenden exemplaren van deze kaarten worden verkocht.

Na de oorlog besloot Ton Smits definitief, dat hij als humoristisch tekenaar zijn brood wilde verdienen. Zijn werk als kunstschilder verdween wat naar de achtergrond. Smits illustreerde wat boekjes en verkocht enige cartoons (getekende grappen) aan tijdschriften als de Panorama en de Katholieke Illustratie. De Helmondse Courant publiceerde een paar stripverhalen van zijn hand, waaronder de strip "Karel Kwiek". Om meer tekenopdrachten te kunnen verwerven, verhuisde Smits in 1947 naar Amsterdam. Zijn opzet slaagde; hij kreeg onder andere een contract voor een wekelijkse politieke prent bij het tijdschrift Het Kompas. Ook tekende hij in die tijd voor de katholieke arbeidersbeweging en voor het Volksweekblad. Heimwee deed Smits echter na een paar maanden alweer terugkeren naar huis in zijn geliefde Brabant.

Smits tekende in die tijd ook politieke cartoons voor enkele landelijke kranten. Helaas zou dit maar van korte duur zijn. De kranten zegden één voor één hun contract weer op. Ton Smits raakte daardoor zwaar teleurgesteld. En ook financieel leverde het hem een strop op. Het zou vele jaren duren voordat hij de Nederlandse dagbladwereld weer durfde vertrouwen. Teleurgesteld besloot Smits toen om zijn bakens radicaal te verzetten. Hij koos ervoor om zich voortaan geheel op de bloeiende Amerikaanse cartoonmarkt te gaan richten. Een exemplaar van het Amerikaanse cartoontijdschrift Look - in 1944 gekregen van een Canadese bevrijder - inspireerde hem mede tot die beslissing.

De VS stonden al vanaf het begin van de jaren '40 bekend als "het Mekka van de cartoon". Daar werden kranten en tijdschriften uitgegeven als Look, The Saturday Evening Post en The New Yorker. Allemaal bladen, die graag cartoons opnamen én er grif voor wilden betalen. Daar stond echter tegenover, dat de VS ook duizenden cartoontekenaars telden. Zij beconcurreerden elkaar hevig. Vaak werkten zij samen met "gagwriters" (grappenbedenkers/-schrijvers) om hun humor-tekeningen te verbeteren.

Met zoveel concurrentie leek Ton Smits een onbereikbaar ideaal na te streven. Toch zette hij zijn avontuur op de Amerikaanse cartoonmarkt door. Vastberaden stuurde hij wekelijks per post een stuk of dertig cartoons naar de krantenredacties in de VS. Aanvankelijk lukraak. Later richtte hij zich vooral op John Bailey, de toenmalige humor-redacteur van The Saturday Evening Post. Bailey was in die jaren een autoriteit op cartoon-gebied. In vier jaar tijd zou Smits hem ruim 4000 tekeningen toezenden. Deze kwamen echter bijna allemaal afgewezen weer retour! Pas eind 1949 kocht Bailey één cartoon van Ton Smits aan voor The Saturday Evening Post.

Bailey's interesse was gewekt, omdat er in die periode van stug volhouden en cartoons tekenen iets opmerkelijks was gebeurd. Ton Smits had geleidelijk aan een unieke tekenstijl voor cartoons ontwikkeld. Kenmerkend voor die vernieuwende stijl was de eenvoud. Smits bracht zijn tekeningen terug tot de essentie en ontdeed ze van alle bijkomstigheden. In enkele, doeltreffende lijnen - symbolen - vertelde hij het hele verhaal (meestal een denkproces of gedachtengang). Het was ook deze sobere, maar veelzeggende tekentrant, die Smits de bijnaam "de stenograaf van de humor" zou opleveren.

Met zijn unieke en vernieuwende cartoonstijl kreeg Smits uiteindelijk voet aan de grond in de VS. In 1950 kocht John Bailey een tweede cartoon van hem aan. Langzaam maar zeker zou er steeds vaker werk van zijn hand worden aangekocht door Amerikaanse bladen. Het feit, dat Smits zijn belangen in de VS liet behartigen door een Amerikaans agentschap (Ben Roth Agency), heeft daar zeker ook toe bijgedragen. Na de erkenning volgde er tenslotte tevens succes.

Een mijlpaal in Smits' succes als cartoonist was het lucratieve contract, dat hij in 1954 sloot met The New Yorker. Dit vermaarde tijdschrift stond (en staat) bekend als zeer kritische afnemer van cartoons en werd ook wel "de hogeschool van de humor" genoemd. The New Yorker had tot dan toe nog nooit een contract aangeboden aan een cartoonist van het Europse vasteland. Ton Smits was de eerste. Door dit contract verkreeg The New Yorker de eerste keuze op Smits' nieuw getekende cartoons. Zijn resterende humor-tekeningen werden ter publicatie aangeboden aan andere Amerikaanse bladen.

In de winter van 1955-1956 verbleef Ton Smits zes weken in de VS op uitnodiging van de redactie van The New Yorker. Tijdens deze werkvakantie vond de officiële ondertekening van het (jaar)contract plaats. Het zou vele malen worden verlengd. Smits kreeg die weken een eigen atelier tot zijn beschikking. Ook ontmoette hij vele collega-cartoonisten en stond hij de Amerikaanse pers te woord. Ton Smits was een bekend humoristisch tekenaar geworden in de VS. Daarmee was hij de eerste Nederlandse cartoonist, die internationale roem verwierf.

Ton Smits had met zijn cartoons inmiddels een goed en vast inkomen verworven. Hij bezat nu de middelen om een eigen atelierwoning te laten bouwen. Zijn vriend, de "Bossche School"-architect Fons Vermeulen (1913), leverde het ontwerp. Begin 1957 verhuisden Smits en zijn moeder naar de nieuwe atelierwoning aan de Jacob Reviuslaan 25 te Eindhoven. Het mooie, ruime atelier was voor Smits een stimulans om ook weer wat aandacht aan de schilderkunst te gaan besteden.

Tussen 1950 en 1975 zouden er vele honderden cartoons van Ton Smits worden gepubliceerd. Wekelijks kregen miljoenen Amerikanen zijn humor-tekeningen onder ogen via grote tijdschriften als: The New Yorker, The Saturday Evening Post, Collier's, Look, This Week Magazine, Saturday Review of Literature, Playboy, Esquire, ... Ton Smits was inmiddels wereldwijd een gevierd cartoonist. Omstreeks 1970 - het toppunt van zijn roem - werden zijn cartoons afgedrukt in een dertigtal gerenommeerde kranten en tijdschriften over de hele wereld. Alleen in eigen land bleef hij relatief onbekend.

Ton Smits ontving tijdens zijn werkzame leven als cartoonist enkele prestigieuze prijzen. In 1964 werd hij in Italië onderscheiden met de Palma d'Oro (Gouden Palm) voor de beste humortekening van dat jaar. De Palma d'Oro was toen de hoogste onderscheiding, die een cartoonist ten deel kon vallen. Smits ontving de Palma d'Oro voor een cartoon-stripje over een kuikentje. Aanvankelijk had niemand belangstelling voor dat stripje. Pas na het winnen van de Palma d'Oro werd dit Tons meest gepubliceerde cartoon! In 1965 ontving Ton Smits tevens de eerste prijs op de Unicef Wereldcartoonale te Knokke-Heist (België).

Op het persoonlijke vlak ondervond Ton Smits in de jaren 1968-1970 veel tegenslag. Zijn agent en vriend in de VS , Ben Roth, overleed plotseling aan een hartaanval. En eind 1970 kwam ook Smits' moeder (zijn artistieke klankbord, steun en toeverlaat) te overlijden. Ton Smits was haast ontroostbaar verdrietig. In deze periode had hij zelf ook gezondheidproblemen. Hij leed aan longkanker en moest een zware operatie ondergaan, die hem bijna het leven kostte. Gelukkig verliep zijn herstel daarna voorspoedig. Smits krabbelde er weer bovenop en hervond zijn passie voor tekenen en schilderen.

Na 1970 deed zich een kentering voor in de cartoonmarkt. Deze werd mede veroorzaakt door de grote veranderingen in de Amerikaanse mediawereld, die al sinds eind jaren '50 waarneembaar waren. Door de opkomst van de televisie kreeg de tot dan toe bloeiende tijdschriftenmarkt in de VS een gevoelige knauw. De publieke belangstelling voor tijdschriften nam af en vele adverteerders trokken zich terug. De inkomsten van de bladen daalden hierdoor sterk. Zij moesten drastisch bezuinigen en hun formule herzien of zelfs de publicatie staken. Door deze veranderingen nam de vraag naar cartoons af.

Ook vooraanstaande bladen als The New Yorker, The Saturday Evening Post en Look - Smits' voornaamste inkomstenbronnen - ontkwamen niet. Ton Smits, die het ook al zonder zijn Amerikaanse agent moest stellen, besloot daarop weer meer opdrachten uit eigen land aan te nemen. Hij ging onder andere cartoons tekenen voor het Algemeen Dagblad, Tussen de Rails, Elsevier's en voor het Eindhovens Dagblad. Daarnaast koos Smits ervoor om meer tijd aan zijn passie - de schilderkunst - te gaan besteden. Voortaan zou de schilderkunst voor hem meer op de voorgrond komen te staan. En daar hoorde ook het exposeren van zijn schilderijen bij.

In 1971 ontmoette de "eeuwige vrijgezel" Ton Smits Lidwien Zoetmulder op een tentoonstelling. In 1973 trouwden zij met elkaar. Toen brak er een rustige en gelukkige periode aan. Het echtpaar Smits woonde letterlijk temidden van de schilderijen. Vrijwel alle wanden in de atelierwoning hingen vol met Smits' kleurige doeken en panelen.

Als kunstschilder vervaardigde Ton Smits ruim 600 werken. Aanvankelijk schilderde hij in olieverf; later koos hij voor een oude schildertechniek met temperaverf op caseïne basis. Smits maakte zijn - bederflijke - temperaverven zelf aan in kommetjes. Als drager voor die schilderingen gebruikte hij panelen van hardboard (Zweeds masonite). Smits werkte graag in tempera. Hij vond de kleuren van die verven sprekender dan die van olieverf. Toen de juiste bestanddelen voor zijn temperaverf in de loop van de jaren '70 niet meer verkrijgbaar waren, keerde Smits weer terug naar de olieverftechniek. Hij vervaardigde ook vele aquarellen.

Smits schilderde in een persoonlijke stijl, die verwantschap vertoont met de naïeve en surrealistische kunst. Zijn schilderijen zijn het best te typeren als vredige dagdromen of wonderlijke sprookjesachtige taferelen. Hij schilderde niet na wat hij zag, maar schiep een kleurrijke fantasiewereld in verf. Zijn schilderijen tonen vrouwtjes, clowns, paarden, bloemen, vissen en vogels. Hij gaf deze figuren gestileerd weer en plaatste ze in een paradijselijke omgeving of in een geheimzinnige architectonische ruimte. Ton Smits werkte afwisselend met summier of juist overdreven perspectief. Hij verbeeldde zijn figuren vrijwel zonder schaduwen. Smits' schilderijen getuigen van zijn onverwoestbaar optimistische levensvisie.

Ton Smits componeerde zijn figuratieve schilderijen uiterst zorgvuldig en op een "abstracte" manier. Hij liet de verschillende kleuren en kleurvlakken (vormen) een spel met elkaar spelen. Hij bleef veranderen en overschilderen totdat zij op elkaar waren afgestemd en er een evenwichtige compositie was ontstaan. Deze zoektocht naar samenspel en evenwicht vergde soms jaren.

In 1980 kreeg Ton Smits opnieuw ernstig te kampen met zijn gezondheid. Desondanks maakte hij in enkele maanden tijd een serie van twaalf panelen, waarin hij helderder dan ooit zijn fantastische droomwereld verbeeldde. In diezelfde periode vervaardigde hij tevens een groot schilderij gewijd aan het dorp Oirschot. Ton Smits wist toen al, dat er een jaar later een grote overzichtstentoonstelling van zijn werk zou komen. Die gedachte zette hem aan tot haast bovenmenselijke ijver.

Op 18 februari 1981 vierde Smits zijn zestigste verjaardag. Bij gelegenheid hiervan werd er in de maanden mei en juni van dat jaar een grote overzichtstentoonstelling van zijn werk gehouden in het Philips' Ontspanningscentrum te Eindhoven. De expositie omvatte ruim honderd schilderijen en zo'n vijftig panelen met cartoons. Bij de tentoonstelling verscheen ook een monografie over Smits' werk en leven. De tentoonstelling werd met 4000 bezoekers een succes. Deze overzichtsexpositie zou later nog verschillende culturele centra aandoen in België en Zuid-Nederland als reizende tentoonstelling.

Kort na de opening van zijn grote overzichtsexpositie kreeg Ton Smits de uitslag van een medisch onderzoek, dat hij eerder had ondergaan. Hij bleek aan slokdarmkanker te lijden en ongeneeslijk ziek te zijn. Ton Smits overleed op 5 augustus 1981, thuis temidden van zijn schilderijen.

Een aantal werken van Ton Smits zijn op Thuis in Brabant te bekijken.


Auteur: Margriet Snel

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon