Jacq Stal (1891-1977)

kunstschilder

Jacobus Paulus Adrianus Stal is het vierde kind uit het huwelijk van Johannes Stal (1851-1926), timmerman, en Pieter­nella Johanna Simonis (1863-1942). Hij is geboren in Geertruidenberg op 13 april 1891 en trouwde aldaar op 23 januari 1918 met Lucia Gertruida van Beek (1891 - 1953). Uit dit huwelijk werd één dochter geboren, Francisca. Hertrouwd op 10 oktober 1954 met Maria Gerarda Weijers (1898-1990). Hij overleed in Beek bij Nijme­gen, op 4 maart 1977.

Aanvankelijk werkte Jacq Stal in het schil­dersbedrijf van zijn oom Janus Simonis te Waalwijk. Daar raakte hij vertrouwd met de techni­sche kant van het schil­de­ren. Hij begreep weldra het belang van een goede drager en van de hech­ting tussen drager en verf­laag en hij leerde kleuren mengen. Maar de jonge Stal toonde al vroeg dat hij ook artis­tiek ta­lent had. Op de 'Tee­ken­school' in Geer­truiden­berg behaalde hij in 1907 en 1908 de eerste prij­zen voor 'hand­teekenen' en op zijn werk liet men hem dan ook al snel het fijnere werk doen, zoals deco­ratie­schil­deren, 'marmeren' en hout imite­ren. In deze jaren volgde hij ook een cursus tekenen en schil­de­ren in Antwer­pen.

Na het vervullen van zijn militaire dienstplicht, trad Stal in 1918 in het huwelijk met Lucia van Beek. Het jonge paar kon een winkel beginnen in het hartje van Geertrui­den­berg, in 'Koloniale wa­ren, Galanterieën, Borstelwerk en Aardewerk', zoals het in sierletters op de pui stond. Aangezien die zaak goed liep zou Jacq zijn verdere leven geen materiële zorgen kennen en omdat zijn vrouw en het personeel zich veelal met de winkel bezig hiel­den, had hij zelf alle gele­genheid zich te wijden aan wat inmid­dels een steeds be­langrij­ker plaats in zijn leven was gaan inne­men: de kunst.

Volgens een oude familietraditie had Stal al in 1903, op twaalfjarige leeftijd, zijn eerste schilde­rij­tje geschilderd. Het was een winterlandschapje, ongetwijfeld gemaakt in Geer­truiden­berg of omgeving. De eerste decen­nia, tot begin jaren der­tig, koos hij als onderwerpen vooral de zonnige hoekjes van het West-Brabantse land. Een enkele keer ging hij verder, bijvoor­beeld naar Rotterdam of Dordrecht, waar hij familie had. Behalve landschap­pen schil­derde hij ook dierstukken en stille­vens. Boven­dien por­tret­teerde hij stad­geno­ten, fami­lie­leden en vrien­den, zoals hij in zijn militaire diensttijd ook al had gedaan. Hij werkte zowel met pot­lood en pen als met penseel. Zijn schilde­rijen kenmer­ken zich tot begin jaren dertig door lichte en helde­re kleu­ren, meestal met een tamelijk breed pen­seel opge­bracht.

In 1933 werd Stal met aan­beve­lingen van de toen bekende kunstschilder Jos Croin en van de Bossche schil­der Piet Slager lid van het schil­dersgenoot­schap Pictu­ra in Dordrecht. Vier jaar exposeer­de hij daar op de groepstentoonstellingen. In 1937 werd hij bovendien aangenomen als lid van de grote schildersvereni­g­ing Sint Lu­cas te Amsterdam en nam voortaan deel aan de voor- en najaarstentoon­stellin­gen van Sint Lucas in het Stede­lijk Mu­seum te Amsterdam. In 1938 werd hij bovendien gevraagd als lid van de vijf jaar eerder opge­richte Breda­sche Kunst­kring en exposeerde daar­mee in Breda, Princen­hage, Til­burg, Eindho­ven en Arn­hem. Ook had hij eigen ten­toonstellin­gen in Rotterdam, Eindhoven en 's-Hertogenbosch en er waren werken van hem te zien op de grote over­zichtsexpo­sitie van Nederland­se kunst die in de winter van 1939-1940 gehouden werd in het Rijksmu­seum te Amsterdam.

De stijl evolueerde in de jaren dertig belangrijk. De penseelstreken werden langer en krachtiger en het palet werd steeds donkerder: van warme tinten bruin tot zwaar grijs en zwart. Ook in de onderwerpkeus kwam verandering. Schilderde hij vroeger vooral zonnige hoekjes, nu koos hij steeds meer voor de ogenschijnlijk minder dankbare plaatsen: een verroest bruggetje, een rommelige scheepswerf, een vergeten straatje met een paar loodsen. Niet de pronk­gevels van de statige huizen aan de markt van Geertruidenberg schilderde hij, maar de achterkanten ervan en de dakpartijen. Niet het oppervlakkig schone, maar de struggle for life, het tobben van alledag bracht hij in beeld. Daarmee sloot zijn werk aan bij het inter­nationaal ex­pres­sionisme.

Het oude Geertruidenberg kende in die tijd een bloeiend cultureel leven en Stal nam daar volop aan deel. Hij was lid van de zangvereniging De Symphonie, die zelfs meewerkte aan radio-uitzendingen, hij zong in het koor van de rooms-katholieke kerk, hij schilderde decors voor de toneelver­eni­ging en werkte mee aan de grote feesten die werden georga­ni­seerd in 1938, toen Geer­truidenberg vierde dat het 725 jaar stadsrechten had. Vele Bergenaren wisten de weg te vinden naar de kunste­naar, die met zijn humor, zijn warme maar ook relati­veren­de kijk op het leven, voor aangename conversa­tie zorgde onder de koffie of tijdens een partijtje dammen of schaken.

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog nam Stal nog deel aan de tentoonstellingen van de Bredasche Kunstkring in Breda, Arnhem en Eindhoven, maar nadat in november 1941 de Kultuurkamer was ingesteld, waar hij geen lid van wilde wor­den, kon hij niet meer exposeren. Tijdens de oorlog heeft hij in feite maar weinig geschilderd. Het was moeilijk om schil­dersmateriaal te krijgen en verkopen was er ook nauwe­lijks bij. Als hij al schilderde, dan deed hij dat meestal door oudere schilderijen te nemen, die af te schuren met puim­steen, en er dan een nieuwe compositie op te zetten.

Na de oorlog leefde de carrière van Stal weer op. Samen met twee andere kunstenaars uit Geertruidenberg, de schil­derende arts Jaspers en de getalenteerde Jan Hubertus, organiseerde hij in de jaren 1946-1948 meerdere tentoonstellingen in Tilburg, Made en in het sta­dhuis van Geertruiden­berg, onder meer bij gelege­nheid van het ambtsjubileum van burgemeester Bianchi.

In 1949 verlieten Stal en zijn vrouw Geertruidenberg. Ze trokken naar Nijme­gen waar ze bij hun dochter Francisca gingen wonen. Hij werd er lid van de Gemeenschap Beeldende Kunste­naars Nijmegen (GBKN) en nam deel aan de exposities in het Waaggebouw en in het Stedelijk Gymnasium evenals aan de gastexposities van de GBKN te Delft, Utrech­t, Doetinchem, Deven­ter en Kleef. In 1954, na de dood van zijn eerste vrouw, hertrouwde hij met de weduwe van zijn jongere broer, die moeder was van zeven kinderen. Hij ging eerst in Den Haag wonen (1954-58), vervolgens in Veenendaal (1958-63), waar zijn vrouw geboren was, en toen terug naar Den Haag (1963-76). In de eerste Haagse periode schilderde hij nog en nam deel aan tentoon­stellingen in Pul­chri Studio, maar in de jaren zestig kwam door een ernstige reuma­tische aandoe­ning een einde aan zijn car­rière als kunste­naar. Uiteindelijk, in 1977, nadat zijn vrouw in een verzorgingstehuis voor geestelijk hulpbehoevende bejaarden moest worden opgenomen, haalde zijn dochter hem weer naar Nijmegen. In datzelfde jaar overleed hij in een ziekenhuis in Beek bij Nijmegen.

Stal schilderde vele hoekjes van Geertruiden­berg, Drim­melen, Made, Oosterhout, Heusden, Raams­donks­veer en de Bies­bosch. Hij schilderde een Brabant in verandering: landweg­ge­tjes, vaarten, vergeten huisjes en ­oude ambachten, maar ook ontginnin­gen, bruggen en elektriciteitscentrales.

Meer nog dan in het zuiver topografische of documentaire echter, ligt het belang van zijn werk in de sfeer die hij heeft weten op te roepen. In zijn rijpere werk schilderde hij met brede pasteuze vegen verf in donkere zware tonen zijn visie op de werkelijkheid en dat was de tijd van de jaren dertig-veertig, de tijd van crisis en oorlog.

Met dat al vormt het werk van Stal zowel stilistisch als iconografisch een karakteristiek aspect van de Neder­landse kunst van de eerste helft van de twintigste eeuw. En voor degenen die hem nog gekend hebben was hij een van die mar­kante per­soonlijkheden die kleur en warmte gaven aan het Brabant van zijn tijd.


Bronnen
• L.J.I. Ewals, Jacq Stal tussen naturalisme en expressionis­me, Nijmegen 1994
• L.J.I. Ewals, 'Jacq Stal een echte Bergenaar', in: De Dongebo­de, 23, nr. 3, (sept. 1997), 51-72
• B. Zijlmans, Geertruidenberg, Hollands oudste stad, Geertruidenberg 1978


Dit artikel verscheen eerder in: J. Brouwers e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noord-Brabanders. Deel 6 (Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, 's-Hertogenbosch 2003).


Auteur: Leo Ewals

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon