Max Steenberghe (1899-1972)

politicus en zakenman

Maximilien Paul Léon Steenberghe werd op 2 mei 1899 te Leiden geboren als zoon van Paul Jean Ghislain Steenberghe, oud-militair en medewerker van de Nederlandse Spoorwegen, en Pétronille Aimée Florentine Engeringh. Op 15 november 1921 trad hij in het huwelijk met Catharina Theodora Maria Ausems. Het echtpaar kreeg twee zoons en vier dochters. Max Steenberghe stierf op 22 januari 1972 te Hilvarenbeek.

Max Steenberghe volgde het onderwijs op de katholieke lagere school Sint-Willibrord in Utrecht en doorliep in dezelfde stad het gymnasium en de universiteit. Hij voltooide zijn studie rechten al op 21-jarige leeftijd en trad na vervulling van zijn militaire diensttijd als bedrijfsjurist in dienst bij de N.V. Textielfabrieken H. van Puijenbroek in Goirle. Met Goirle en Brabant is hij ondanks een (inter)nationale carrière altijd verbonden gebleven. Hij is er ook blijven wonen tot aan zijn dood. In Goirle boekte hij ook zijn eerste succes in zaken. Hij wist met grote energie en intelligentie het in moeilijkheden verkerende bedrijf van Van Puijenbroek in korte tijd uit de gevarenzone te halen en werd dan ook spoedig in de directie opgenomen. Rond zijn 25ste had hij al een gerespecteerde naam in de katholieke wereld. Hij bekleedde toen reeds functies buiten het eigen bedrijf: met 25 jaar voorzitter van de Nijverheidsraad, met 29 lid van de Hoge Raad van Arbeid en op dertigjarige leeftijd voorzitter van de Algemeene Roomsch Katholieke Werkgevers Vereniging. Katholieke Brabanders klaagden in die dagen dat zij bij het bekleden van hoge posities in het bedrijfsleven werden gediscrimineerd, maar maakten een uitzondering voor Steenberghe. Hij genoot ook buiten eigen kring respect en gezag.

Zijn belangstelling bestreek echter een breder terrein van maatschappelijke activiteiten. Al in 1922-1923 gaf hij - samen met Barend van Spaendonck - daarvan blijk in publicaties in het periodiek Katholieke Staatkunde (K.S.), een initiatief van de in Oisterwijk woonachtige dr. Emile Verviers. Steenberghe wordt gezien als een voorman van behoudend katholiek Nederland. Behoudend moet hij als jong publicist zeker geweest zijn, want K.S. was niet alleen spreekbuis van reactionair Nederland maar beroemde er zich tevens op dat de ideeën van Mussolini in zijn kolommen reeds werden verwoord toen de duce zijn mars naar Rome nog moest gaan houden. Nadat de Bossche bisschop het blad wegens zijn onorthodoxe (en spoedig fascistoïde) opvattingen had verboden om het predikaat 'katholiek' te dragen, waarna het tijdschrift Opbouwende Staatkunde ging heten, staakte Steenberghe zijn medewerking.

De medewerking aan K.S. heeft zijn naam overigens niet beschadigd. Zijn kwaliteiten bleven de aandacht trekken, zozeer zelfs dat hij op 25 juni 1934 voor de Rooms Katholieke Staatspartij (RKSP) minister werd van economische zaken in het tweede kabinet Colijn. Zijn eerste ministerschap was echter kort van duur. Al op 6 juni 1935 nam hij ontslag wegens een ernstig meningsverschil met Colijn. Hij kon zich niet langer verenigen met diens politiek van deflatie, bezuiniging en vasthouden aan de gouden standaard. Steenberghe was een overtuigd aanhanger van het subsidiariteitsbeginsel, kernstuk uit de katholieke sociale leer: de overheid moet dan pas ingrijpen wanneer het particuliere (bedrijfs)leven niet meer in staat is de problemen zelf op te lossen. Maar als voorzitter van katholieke werkgevers was hij al gaan twijfelen aan Colijns opvattingen omtrent de gouden standaard. De sterke gulden was immers funest voor de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven. Het toont Steenberghe in twee kwaliteiten: hij was bereid voor zijn zaak te knokken en er consequenties aan te verbinden, maar hij was geen dogmaticus, geen ideoloog, veeleer een pragmatisch realist. Die trekken zou hij later nog vaker vertonen.

De ontslagname als minister in 1936 moet de waardering van Colijn voor de jeugdige minister niet hebben aangetast. Want toen de antirevolutionaire voorman de gouden standaard eind 1936 had losgelaten, nam hij Steenberghe in juni 1937 weer als minister van economische zaken op in zijn kabinet. In die functie trad Steenberghe ook toe tot het kabinet-De Geer, dat in augustus 1939 werd gevormd en dat enkele dagen later de algemene mobilisatie moest afkondigen wegens het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. In mei 1940 namen koningin en kabinet de wijk naar Londen. Aan dat besluit gingen hectische dagen vooraf. Ooggetuigen maken zonder uitzondering melding van de verwarring waarin het kabinet in die dagen verkeerde. Steenberghe behoorde aanvankelijk niet tot de ministers die voorstanders waren van een vlucht naar het buitenland. Hij en de toenmalige minister van landbouw bleven in Den Haag, toen de rest van het kabinet al in Hoek van Holland was om naar Engeland over te steken. Maar ten slotte overgehaald zich bij hun collega's te voegen, hadden zij wel als enigen het besef dat het gezag ook in die troebele omstandigheden ordentelijk moest worden overgedragen: aan de opperbevelhebber in aanwezigheid van alle bereikbare secretarissen-generaal. Het was Steenberghe die daarbij namens de regering het woord voerde. Deze belangrijke regeringsdaad werd enkele dagen later in Londen door kabinet en koningin mondeling gesanctioneerd. Steenberghe heeft er na de oorlog van de parlementaire enquête-commissie grote lof voor geoogst.

Een van motieven om naar Londen te vertrekken was voor hem de omstandigheid dat de Nederlandse koopvaardijvloot in overwegende mate buiten vijandelijk gebied was en verder aan de oorlogvoering kon bijdragen. Als minister in Londen was hij initiatiefnemer tot het aanleggen van voorraden goederen in de Verenigde Staten om na de oorlog te dienen voor een snelle bevoorrading van Nederland, zoals inderdaad is geschied. De verhoudingen in het kabinet waren overigens verre van goed. De Geer bleek niet opgewassen tegen de taak van oorlogsleider en voelde zich in Londen gekweld door heimwee. Steenberghe deelde aanvankelijk diens twijfel of voortzetting van de oorlog na de nederlaag van Frankrijk in juni 1940 zinvol was. Hij stond in dat opzicht op gespannen voet met ideologische hardliners als Gerbrandy en Wilhelmina: deze oorlog ging tegen het beginsel van het kwaad en moest tot het bittere eind worden uitgevochten. Na de door de Luftwaffe verloren Battle of Britain in 1940 verdwenen ook bij Steenberghe de twijfels over de vraag of de oorlog moest worden voortgezet. Maar de relatie met Gerbrandy - aanvankelijk overigens uitstekend - werd steeds slechter, omdat hij meende dat de minister-president het kabinet ontoelaatbaar vaak onkundig hield over zaken waar het bij betrokken diende te zijn. Het conflict had ook persoonlijke kanten en leidde in november 1941 tot ontslagname als minister. Steenberghe werd daarna gedurende de oorlog belast met de leiding van de Economische, Financiële en Scheepvaartcommissie die de betrokken belangen namens de Nederlandse regering in de Verenigde Staten zou behartigen. In die hoedanigheid vertegenwoordigde hij ook de Nederlandse regering bij conferenties in Noord-Amerika gedurende de oorlog.

Na de oorlog keerde hij naar Noord-Brabant terug en was hij voornamelijk actief in het zakenleven, waarin hij vele en gezaghebbende commissariaten vervulde. Maar zijn bredere maatschappelijke belangstelling was niet verdwenen. In 1951 was hij belast met een kabinetsformatie, die overigens mislukte. Hij was een vooraanstaand lid van de zogenaamde Groep-Steenberghe, in totaal een vijftiental personen, onder wie ook Duijnstee, Sassen, Van Spaendonck en Van der Ven, voornamelijk afkomstig uit kringen van de katholieke Nijmeegse universiteit en de Tilburgse hogeschool. In de jaren 1951-1952 ijverde deze club als een rechtse pressiegroep binnen de KVP voor een van de PvdA onafhankelijker politieke koers. De daarop volgende nederlaag van de KVP, die mede het gevolg was van het optreden van de Groep-Steenberghe, maakte een einde aan Steenberghes politieke ambities. Van 1949 tot 1954 was hij lid van de gemeenschappelijke Belgisch-Nederlandse studie- en onderhandelingscommissie Steenberghe-Van Cauwelaert. Zij bracht enkele waterstaatkundige geschillen tot een oplossing: de verbinding van het Albertkanaal met het Julianakanaal voor schepen tot 2.000 ton ('stop van Ternaaien') en verbetering van het kanaal Gent-Terneuzen. In de jaren '50 was hij ook president-curator van de Katholieke Economische Hogeschool in Tilburg, waarvan alumni in die tijd en later invloedrijke posities in de Nederlandse politiek hebben bekleed. Voor Steenberghe zelf was de actieve politiek toen al een gesloten boek.

Max Steenberghe was volgens een unaniem getuigenis een intelligente, hard- en snelwerkende, welbespraakte man die de indruk wekte tegen weinigen op te zien. Het laatste bracht zijn moeilijkheden met zich mee. In het kabinet in Londen kostte het hem moeite zich niet superieur aan zijn collega's te achten. Daarvan was ook Gerbrandy zelf overtuigd die meende dat Steenberghe eerder dan hijzelf in aanmerking kwam om in 1940 De Geer op te volgen als premier. Steenberghe van zijn kant keek ook op Gerbrandy neer, hetgeen bijgedragen moet hebben aan hun verwijdering en Steenberghes ontslagname als minister in 1941. Dat luidde na een nationale en zelfs internationale carrière de terugkeer in naar Noord-Brabant, waar hij een gezaghebbend man was en bleef. Hij moet ook innemende eigenschappen hebben gehad: bij zijn dood werd hij herdacht als iemand wiens reputatie zijn bescheidenheid niet had aangetast, die goed kon luisteren, anderen kon bewonderen en anderen ruimte liet die hij met zijn natuurlijk overwicht gemakkelijk had kunnen vullen. Als hij met de tram van Tilburg naar Goirle reed, stopte die - aldus een getuige - extra voor zijn villa. Dat was huize Sterrenberg dat hij in latere jaren verliet voor Nieuw Sterrenberg, gebouwd onder de rook van Goirle op Hilvarenbeeks territoir. Daar stierf hij op 22 januari 1972, bijna 73 jaar oud.


Bronnen

• J. Bosmans, 'De KVP, de Groep-Steenberghe en de verkiezingen van 1952', Jaarboek van het Katholiek Documentatie Centrum 6 (1976), 20-76
• J. Bosmans, Romme biografie 1896-1946, Utrecht 1991
• P. van Boven, 'Ter Herinnering aan Mr. M.P.H. [sic] Steenberghe', De Werkgever, 4-17 februari 1972
• F.J.F.M Duynstee, De Kabinetsformaties 1946-1965, Deventer 1966
• Enquête Regeringsbeleid 1940-1945, 's-Gravenhage 1949-1956, dln. 2, 3 en 6
• E. Janssen, 'De Rooms Katholieke Staatspartij en de Krisis, 1930-1940', Jaarboek van het Katholiek Documentatie Centrum 5 (1975), 39-79
• L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, 's-Gravenhage 1969-1991, dln. 1, 3, en 9
• Katholieke Staatkunde, weekblad gewijd aan staatkunde, economische en sociale wetenschappen en cultuur, jrg. 1922, nr. 1; jrg. 1923, nr. 2
• G.C.P. Linssen, Van Spaendonck: een case-study naar bemiddelingsgedrag, Tilburg 1994
• H.P.H. Nusteling, 'Steenberghe, M.P.L.', in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1, 's-Gravenhage 1979, 560
• S. Vaessen, 'Democratie-kritiek in de RKSP', Archief voor de Geschiedenis van de Katholieke Kerk in Nederland (1988), 1


Dit artikel verscheen eerder in: P. Timmermans e.a. (red.), 
Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 5 (Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Heeswijk 1999).


Auteur: Leonard Joosten

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon