Gerardus Jacobus van Swaay (1867-1945)

electrotechnicus en eerste directeur van de PNEM

Gerardus Jacobus van Swaay werd op 22 juni 1867 geboren te Loenen aan de Vecht, als zoon van Henricus van Swaay en Maria Theresia Arnolds. Hij trouwde op 19 augustus 1890 met Maria Agnes Hubertina Vullers en overleed te Delft op 6 januari 1945.

Na de H.B.S. in Utrecht studeerde hij in 1889 af als civiel-ingenieur aan de Polytechnische School te Delft waar hij nadien ook nog enkele jaren als wetenschappelijk assistent werkzaam was om zijn kennis op het terrein van de elektrotechniek te verdiepen. Van 1892 tot 1894 werkte de jonge ingenieur als leraar aan de Rijks-H.B.S. in achtereenvolgens Winterswijk en Tilburg, daarna vertrok hij voor verdere studie van de meettechniek naar Berlijn. In 1897 volgde zijn benoeming tot leraar aan de Delftse Polytechnische School en toen deze in een Technische Hogeschool werd omgezet, werd Van Swaay er in 1905 een van de vier hoogleraren in de nieuw gevormde subafdeling elektrotechniek.

In 1914 accepteerde de 47-jarige, vanwege zijn lidmaatschap van de Eerste kamer toen op non-actief gestelde hoogleraar de hem aangeboden functie van directeur van de pas opgerichte provinciale Noord-Brabantse elektriciteitsmaatschappij (N.V. PNEM). Nadat hij deze, voorzien van de modernste techniek, in de startblokken had gezet, werd Van Swaay in 1922 minister van Waterstaat. Met het ontbinden van het tweede kabinet Ruys de Beerenbroek nam hij ontslag en trad vanaf 1925 op als raadgever van de regering. Van 1933 tot 1943 fungeerde de oud-minister als voorzitter van de bij ministerieel besluit ingestelde Electriciteitsraad, tot 1940 was hij tevens directeur van het bureau van de Electriciteitsraad. Het voorzitterschap van de Natuurschooncommissie Electrische Geleidingen, ook een de regering adviserend college, nam Van Swaay waar van 1932 tot zijn overlijden op 6 januari 1945.

De betekenis van Van Swaay voor de vroege ontwikkeling en toepassing van de elektrotechniek in Nederland blijkt enerzijds uit zijn pionierende werkzaamheden in Noord-Brabant. Tegen sterke weerstanden en menigvuldige bedenkingen in, bepleitte hij onvermoeibaar en met succes de voordelen van provinciale tegenover particuliere dan wel gemeentelijke opwekking. Zonder deze provinciale elektriciteitsopwekking zou het dunbevolkte Brabantse platteland wellicht nog lang van goedkope stroomvoorziening verstoken zijn gebleven. Ondanks de door de Eerste Wereldoorlog veroorzaakte materiaalschaarste beschikte Noord-Brabant aldus reeds aan het begin van de jaren twintig over een van de krachtigste (provinciale) stroomcentrales in Nederland en als eerste provincie over een volledig 50kV-verdeelnet van 337 km lengte, waarvan 122 km als dubbel circuit was uitgevoerd. De aansluiting van de gemeentelijke laagspanningsnetten was eveneens voorspoedig verlopen en omvatte begin 1923 verreweg het grootste deel van de Noord-Brabantse gemeenten. Dat men het patroon van de door Van Swaay ontworpen zware ringleidingen, die later wonderwel op het landelijke koppelnet bleken aan te sluiten, ook heden nog terug kan vinden, komt omdat de enthousiaste technicus van begin af aan duidelijk in overkoepelende nationale strukturen dacht.

Aan de andere kant was de liberaal Van Swaay veel meer dan 'slechts' de energiepaus van Noord-Brabant en vertoeft hij ten onrechte ietwat in de schaduw van zijn in de handboeken veel genoemde Delftse collega Clarence Feldmann. Evenals deze raakte Van Swaay behalve door zijn wetenschappelijk werk ook door zijn deelneming in verschillende regionale en nationale commissies en bestuurscolleges ten nauwste betrokken bij de ontwikkeling van de elektriciteitsvoorziening in Nederland. Reeds vanaf 1909 adviseerde hij zowel de gemeente Tilburg als het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant 'inzake de oprichting eener electriciteitsfabriek', na 1911 groeide tevens zijn invloed in allerlei staatscommissies. Tijdens het interbellum werd in Nederland van regeringswege vermoedelijk geen belangrijke beslissing op het gebied van de elektriciteitsvoorziening meer genomen, zonder dat van tevoren ook het advies van Van Swaay was ingewonnen.

Van de mens Van Swaay is weinig bekend. Foto's en mondelinge getuigenissen schetsen hem als een vriendelijke, bijzonder aardige man en een harde werker, als iemand die visie én bescheidenheid paarde aan een scherp analytisch vermogen, zoals ook uit zijn publikaties en schriftelijke adviezen valt op te maken. Over persoonlijke aangelegenheden liet hij zich vrijwel niet uit. Wel weten we dat de scherpe aanvallen op zijn persoon in de beginjaren van de PNEM Van Swaay veel leed hebben berokkend. De opbouw van het provinciale bedrijf kostte toen door allerlei tegenvallers veel meer kapitaal dan kon worden voorzien. Dat Van Swaay toch doorzette werd hem niet door iedereen in het gewest in dank afgenomen. Petroleumverlichting had het, bij wijze van spreken, immers ook goed gedaan. Luttele jaren na zijn vertrek ontwikkelde zich de PNEM, voortbouwende op de door de eerste directeur gelegde stevige fundamenten, tot een bloeiend bedrijf dat ook door de navolgende crisis- en oorlogsjaren niet meer in zijn bestaan kon worden bedreigd en een onmisbare stuwende rol vervulde bij de gestage economische ontwikkeling van Noord-Brabant. Terugblikkend noemde Van Swaay de jaren bij de PNEM de zwaarste tijd van zijn leven. In zijn benoeming tot Ridder in de Orde van de Nederlandsche Leeuw meende hij dan ook niet ten onrechte de erkenning van zijn werk en verdiensten te zien.


Bronnen

• Bedrijfsarchief N.V. Provinciale Noordbrabantse Electriciteits-Maatschappij
• J.F.E. Bläsing, Mensen en Spanningen. Sociaal-economische geschiedenis van de N.V. Provinciale Electriciteits-Maatschappij 1914-1985, Leiden 1992
• P.H.J. Boomen en A.N. Hesselmans, Het ontstaan en de ontwikkeling van de Nederlandse elektriciteitsvoorziening 1884-1925, Utrecht 1984 (ongepubliceerde doctoraalscriptie economische en sociale geschiedenis)
• M. Dendermonde, Land onder Stroom, NV PNEM 1914-1964, Den Bosch 1964
• E.J. Fischer, Stroom opwaarts. De elektriciteitsvoorziening in Overijssel en Zuid-Drenthe tussen circa 1895 en 1986, Zwolle 1986
• A. de Groot en B. van Houten, Tweestromenland. Elektriciteitsvoorziening in Groningen en Drenthe, Groningen 1988
• G.J. van Swaay e.a., Rapporten der Commissie van het Electrisch Bedrijf, z.pl. 1909 e.v.
• A.A. Weijts, De Electriciteitsvoorziening van Noord-Brabant, Den Bosch 1939


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 1
(Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Amsterdam/Meppel 1992).


Auteur: J.F.E. Bläsing

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon