Henri Jacques van Tulder (1819-1903)

architect

Henri Jaques van Tulder werd geboren op 1 mei 1819 te Tilburg als zoon van Dionysius van Tulder en Adriana van Heesbeen. Op 12 februari 1848 huwde hij te Woensel Johanna Fremau. Samen hadden zij vijftien kinderen, waarvan er slechts zes in leven bleven. Hij overleed te Schaerbeek bij Brussel op 25 november 1903.

'De Tilburger Van Tulder bereikte nooit in zijn leven het besef, dat een gevel een eerl_ke doorsnede van 't gebouw moet geven; en hij bleef wanhopig in lapmiddelen verward, die hij voor meestergrepen scheen te houden'. Zo deed Gerard Brom in zijn evaluatie van de kerkelijke kunst in katholiek Nederland het oeuvre van de architect af. Dit negatieve oordeel is typerend voor de rond 1900 inzettende golf van kritiek op de historiserende bouwkunst van de negentiende eeuw. Vooral de architecten in de schaduw van P.J.H. Cuypers hebben hieronder te lijden gehad, omdat hun werk niet zoals dat van Cuypers gezien kon worden als een glorieuze opmaat tot de architectuurvernieuwing van Berlage en zijn navolgers. Voor wie thans wat objectiever terugblikt, blijkt Van Tulder een boeiende figuur, met een veelzijdig oeuvre op de grens van neoclassicisme en neogotiek. Hij paste zich telkens opnieuw in stijl en opzet aan aan de aard van zijn opdrachten en was een betrouwbare werker die meer realiseerde dan alleen kerkgebouwen. Die herhaalde wisselingen van stijl werden hem en vele van zijn tijdgenoten later verweten, terwijl deze juist het architectenberoep in de negentiende eeuw typeren.

Van Tulder vertrok op 15 maart 1844 naar Brussel, waar hij tot 1846 bij het bureau van Jean-Pierre Cluysenaar werkte, een der belangrijkste Belgische architecten met een hoofdzakelijk classicistisch oeuvre. In 1848 vestigde hij zich te Tilburg, aan de Spoorlaan. In 1889 verhuisde hij definitief van Tilburg naar Laeken bij Brussel. Zijn opleiding zou hij te Antwerpen hebben genoten waar ook Cuypers studeerde, in een milieu met aandacht voor classicisme en gotiek.

Hij werkte doorgaans in Brabant, met name in het Bossche bisdom en realiseerde kerken, kerkmeubilair, grafmonumenten, raadhuizen, monumenten, gestichten, scholen, landhuizen, villa's en stedebouwkundige plannen. Vele van zijn bouwwerken zijn intussen gesloopt. Dit geldt onder meer voor Tilburgse werken als het neoclassicistische raadhuis (1846-1847), de in dezelfde trant uitgevoerde Korvelse kerk (1852-1856), de kerk en fraterskapel aan de Gasthuisring en de gedenknaald voor Willem II (1874), evenals voor de curieuze neoromaanse kapel van het Gestelse seminarie Beekvliet, de toren te Berkel en het immense hoofdgebouw van het krankzinnigengesticht Voorburg te Vught.

Het kerkelijke oeuvre toont de overgang tussen neoclassicisme en neogotiek. Zijn Korvelse kerk (1852-1856) had stucgewelven en rondboogvormen, zuilen en pilasters in de gevel. Zijn iets latere, rijzige kerkgevel in Gemert (1852-1853) vertoont daarentegen neogotische vormenrijkdom in hardsteen en baksteen. In de torens te Berkel (1852) en Wintelre (1858) en de kerk te Mierlo (1856-58) paste hij een mengeling van gotische vormen toe, ontleend aan de middeleeuwse dorps- en stadskerken in zijn directe omgeving. Het gaat hier en in de kerk te Oss (1857-1859) om de vroegste voorbeelden van de herleving van de streekeigen bouwkunst: vooral de Osse hoofdkerk ontleent motieven aan een Kempische stadskerk als die te Turnhout.

Ook later bleek hij een inventief en kundig ontwerper, die met zijn tijd wist mee te gaan. Toen Cuypers voor het eerst baksteengewelven toepaste, volgde hij op enige afstand. Zijn kerk te Haren bij Megen (1867-1868) toont constructieve vaardigheid in gewelven van schoon metselwerk, rustend op uiterst slanke hardstenen pijlers. In Stiphout (1883-1884) paste hij, ongetwijfeld alweer in navolging van Cuypers, veelkleurige baksteen toe in het interieur. Deze kerk en die van Zesgehuchten (1884) zijn met hun puntgave neogotische interieurs hoogtepunten in zijn werk.

Bij het ontwerpen van kerken varieerde hij telkens opnieuw hetzelfde stramien van traveematen en opstanden. Kloosterkapel of stadskerk, ze hebben in essentie dezelfde opbouw met wisselende schaal en maat. Zijn grootste werk, de Jozefkerk aan de Tilburgse Heuvel (1872-1889) toont dit stramien in de prestigieuze dubbeltorengevel en het vaag aan de Bossche Sint-Jan herinnerende interieur. Zijn Joriskerk in het Eindhovense Stratum (1884-1885) bezit een originele, achthoekige, naar centraalbouw neigende viering met een rijk netgewelf. Het kerkmeubilair werd in veel gevallen ook door hem ontworpen en toont afhankelijk van het gebouw neobarokke of neogotische vormen.

Ook in zijn raadhuizen wisselde hij telkens van stijl. Zijn neoclassicistische Tilburgse stadhuis contrasteerde met het neogotische paleis-raadhuis. In Aarle-Rixtel daarentegen sluit het raadhuis annex school in rondboogstijl met friezen en hoektorentjes uit 1854-1855 in afwisseling van baksteen en stuc aan bij de kerk van A. van Veggel. Het kasteel voor graaf d'Oultremont te Drunen - thans roze geschilderd en opgenomen in het themapark Land van Ooit - vertoont middeleeuws bedoelde vormen in de nissen en hangtorentjes. Renaissance-vormen zijn te vinden aan een woning aan de Tilburgse Spoorlaan (1886) en een villa te Overboulaer (1893). De school te Helmond, aan de Zuid Koninginnewal (1873-1875), tegen de absis van de Lambertuskerk, waarvoor hem de opdracht in 1852 ontging, toont min of meer gotische vormen en veelkleurige baksteenversieringen.

Een van zijn omvangrijkste werken is het immense gesticht Voorburg te Vught (1884-1885), dat met zijn vier langgerekte vleugels en kapel in de ongelooflijk korte tijd van negen maanden werd gebouwd. Het vertoont de vormen van de rondboogstijl in boogramen, hoekoplossingen en torentjes. Deze stijl werd in de ogen van opdrachtgever en architect passend geacht voor de behuizing van krankzinnigen. Het gebouw met zijn honderden meters lange gangen is typerend voor de geïnstitutionaliseerde zorg en geeft aan hoe Van Tulder het programma van eisen heeft omgezet in een logische plattegrond. Mannen en vrouwen werden gescheiden, terwijl van voor- tot achtergevel de ernst van de aandoeningen toenam, van 'zwakwoelenden' tot 'onooglijken'. Zelfs de imposante dubbelkerk werd door een muur gedeeld, zodat mannen en vrouwen ook hier gescheiden waren. Terwijl zijn regelmatige stratenplan voor de Tilburgse Koningswei is verdwenen, bleef de parkaanleg in Engelse landschapsstijl rondom het Vughtse complex behouden.

Van Tulder blijkt een inventieve bouwmeester te zijn geweest, die zich gemakkelijk aanpaste aan de aard van de opdracht en de wensen van zijn opdrachtgever. Zijn kerken domineren op verscheidene plaatsen de horizon en geven in combinatie met het wereldlijke werk een goed beeld van zijn veelzijdigheid.


Bronnen

• H. van Helvoort, 'De kerken van architect Van Tulder in het bisdom Den Bosch', in: Varia Historica Brabantica, IV, 's-Hertogenbosch 1975, 315-349
• Idem, De kerk H. Petrus te Woensel. Studie over de bouw van enige Eindhovense katholieke kerken met uitzondering van de St. Catharinakerk, typoscript, Nuland 1978
• Architectenarchief in Nederlands Architectuur Instituut te Rotterdam


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 2 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening,
Amsterdam/Meppel 1994).


Auteur: A.J.C. van Leeuwen

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon