Meinard Tydeman jr. (1854-1916)

liberaal politicus

Meinard Tydeman jr., roepnaam 'Map', werd op 6 maart 1854 geboren in Tiel als zoon van Meinard Tydeman sr. en jonkvrouw Henriëtte Ewaldine Hélène Reuchlin. Tydeman jr. huwde op 9 juni 1882 in Utrecht met Johanna Maria Ver Loren van Themaat , dochter van jhr.mr. Hendrik Ver Loren van Themaat en Cecilia Thierry de Bye. Uit dit huwelijk werden twee zoons geboren.

Tydeman jr. groeide op in een gegoed en beschermd milieu. Zijn moeder overleed toen Meinard twee jaar oud was. Vanaf 1868 woonde het gezin Tydeman in het imposante Ambtmanshuis te Tiel. Zijn vader, advocaat en lid van provinciale staten van Gelderland, was sedert 1857 directeur van de Nederlandsche Maatschappij van Brandverzekering in Tiel. Zijn grootvader, Petrus Hermannus Tydeman, was rector aan de Latijnse school in Tiel geweest; bij hem en aan deze school genoot Tydeman jr. dan ook zijn eerste onderwijs. In de jaren 1872-1876 studeerde hij rechten aan de Utrechtse Academie. In 1880 promoveerde hij - 26 jaar oud - in de domstad tot doctor in de rechtswetenschap op basis van zijn proefschrift: Bijdrage tot de geschiedenis der Bodemerij (een onderdeel van het zeerecht).

In datzelfde jaar nog verhuisde Tydeman jr. naar Breda om zich daar 'een werkkring te verschaffen'. Hij stond toen, zoals hij zelf zei, 'op de overgang van het vrije en onbezorgde leven tot het ernstige streven om een plaats in de maatschappij te bekleeden'. In Breda was hij eerst werkzaam op een advocatenkantoor. Na zijn huwelijk in 1882 vestigde hij zich aan de Tolbrugstraat als zelfstandig advocaat en procureur. Van 1883 tot 1894 was Tydeman jr. tevens schoolopziener voor het district Zevenbergen en in 1889 werd hij benoemd tot rechter-plaatsvervanger te Breda, na enige tijd kantonrechter-plaatsvervanger te zijn geweest.

Het gezin Tydeman was inmiddels verhuisd naar de Delpratsingel 23, een gebouw dat in 1898 verbouwd werd tot het huidige monumentale pand.

Eind jaren tachtig jaren begonnen zijn politieke activiteiten gaandeweg die op het juridische terrein te verdringen. Deze activiteiten zouden een toenemend beslag gaan leggen op zijn tijd. Tydeman ontwikkelde zich tot een politicus in hart en nieren. Reeds op 32-jarige leeftijd, in 1886, werd hij kandidaat gesteld voor de net opgerichte Liberale Unie in het kiesdistrict Breda. Tydeman had als liberaal en Nederlands-hervormde in dit katholieke bolwerk echter geen schijn van kans tegen de rooms-katholieke kandidaat dr. H. Schaepman. Na nog enkele mislukte pogingen lukte het Tydeman in 1891 uiteindelijk om als vertegenwoordiger van het kiesdistrict Tiel in de Tweede Kamer te worden gekozen. Tijdens de verkiezingsstrijd versloeg hij met zijn leuze 'Gij moet mij nemen als Tielsche jongen' de antirevolutionair en voormalig eerste minister baron Mackay. Tot aan zijn overlijden zou hij in dit kiesdistrict telkenmale worden herkozen als afgevaardigde.

Tweespalt in de Liberale Unie inzake uitbreiding van het kiesrecht had in 1894 een afsplitsing van de rechtervleugel tot gevolg. De tegenstanders van uitbreiding van het kiesrecht zouden uiteindelijk in 1906 een nieuwe partij oprichten, de Bond van Vrije Liberalen, waarvan Meinard Tydeman jr. zowel voorzitter als partijleider was. De benoeming tot partijleider deed de invloed van Tydeman in de Kamer sterk toenemen, ook toen zijn partij bij enige verkiezingen verliezen leed.

Zijn optreden in de Kamer dwong eerbied en respect af waardoor hij in die tijd tot de grotere en meer invloedrijke parlementariërs gerekend kan worden. In zijn lange politieke loopbaan - hij vertoefde bijna 25 jaar in de Tweede Kamer - sprak Tydeman jr. over uiteenlopende zaken als onderwijs, justitie, financiën en militaire zaken. Toch zag hij op tegen het spreken in de Kamer als het om gewichtige zaken ging; zijn rede was soms zelfs een obsessie voor hem. Als spreker streefde hij geen oratorisch effect na, eerder het tegendeel. Hij sprak namelijk 'in afgemeten zinnen met eene stem, die weinig verscheidenheid van intonatie kent'. De inhoud van zijn redes was kwalitatief echter steeds van een hoog gehalte.

De familie Tydeman stond in hoog aanzien; men had contacten met het koningshuis. Koningin Wilhelmina en prins Hendrik vertoefden met enige regelmaat aan de Delpratsingel. Het woonhuis, de levensstijl, de materiële omstandigheden, maar ook de religieuze overtuiging weken echter sterk af van die van de gemiddelde inwoner van Breda. Dit was dan ook de voornaamste reden dat Tydeman de ontwikkelingen in deze oude vestingstad enigszins vanaf een afstand volgde. Toch was Tydeman zelf een van de meest geziene persoonlijkheden van Breda.

De mens Tydeman liet twee gezichten zien. In de parlementaire literatuur wordt hij omschreven als de 'koud-correcte afgevaardigde' en 'een koele, besloten, straf ingetoomde figuur'. Dat was echter een façade, want het werkelijke gezicht was dat van 'den eenvoudigen, bijna verlegen, licht bewogen Tydeman van de binnenkamer. Een gevoeligen, uiterst bescheiden, kwetsbaren man (...)' met twijfels en aarzelingen. Naar aanleiding van zijn laatste speech in de Kamer schreef hij zijn echtgenote: 'Ik was toen erg zenuwachtig, maar wist het te verbergen, geloof ik'. Kenmerken als beginselvast, eerlijk, onkreukbaar, helder, rationeel, scherpzinnig met op zijn tijd enig ironisch sarcasme kenschetsten dan ook de werkelijke Meinard Tydeman jr.

Wat zijn opvattingen betreft kan Meinard Tydeman jr. aangemerkt worden als een typische vertegenwoordiger van het negentiende-eeuws liberalisme. Dat was vanzelfsprekend voor iemand die opgroeide in het beschermde en gegoede milieu van de culturele en sociale protestantse bovenlaag, die beschikte over een financiële onafhankelijkheid en een intellectuele begaafdheid.

Weliswaar zag Tydeman voor zichzelf geen actieve taak weggelegd om vanuit deze positie oplossingen voor belangrijke sociale vraagstukken uit die tijd aan te dragen, maar hij had wel degelijk oog voor de noden van de minder bedeelden. De oplossing voor verbetering van de leefomstandigheden van die groepen zocht hij evenwel niet in een andere inkomensverdeling, maar met name in een algemene welvaartsbevordering.

Het socialisme, 'de macht der staatsmachine', en het clericalisme, 'de kerkelijke machtsaanmatiging', konden rekenen op een niet aflatende tegenstand van Tydeman. Zijn strijd tegen twee direct daaraan gerelateerde kwesties, te weten het algemeen kiesrecht en de positie van het bijzonder onderwijs, loopt dan ook als een rode draad door zijn politieke leven. Een tijd- en partijgenoot schreef: 'Tydeman was een bekwaam man, parlementariër vóór alles. Door zijne bewoning van Breda is hij een vurig anti-katholiek geworden, zooals de meeste protestanten in Noord-Brabant. Dit heeft een minder gunstigen invloed gehad op zijne staatkundige inzichten.'

Voor Breda en Brabant komt zijn betekenis voornamelijk tot uitdrukking in zijn activiteiten in en voor protestantse instellingen als de restauratiecommissie van de Grote Kerk en de Maatschappij van Welstand. Het was Tydeman die in 1900 architect Van Nieuwkerken verzocht om een rapport te maken van de toestand van de Grote Kerk. Dit rapport had hij nodig om bij de Minister van Binnenlandse Zaken, Provincie en Gemeente fondsen los te weken voor de restauratie die onder zijn leiding als voorzitter van de restauratiecommissie nadien ook daadwerkelijk is begonnen. Vanaf 1888 tot aan zijn overlijden was Tydeman lid en enige tijd eerste voorzitter van de Permanente Commissie, het dagelijks bestuur, van de Maatschappij van Welstand, die zich beijverde voor de ondersteuning van armlastige protestanten. Mede door zijn inbreng begon voor de Maatschappij een periode van grote bloei.

Verder was hij twintig jaar lang commissaris van de Nederlandsche Heide-Maatschappij en hield hij zich ook als particulier bezig met ontginning en boscultuur. Samen met de heer Smits van Burgst ontgon hij voor eigen rekening in Breda en omgeving, onder andere in de Vloeiweide en de Blauwe Kamer, enige honderden hectaren woeste grond en herschiep deze in weiden, bouwland en bos. Hij bekleedde daarnaast talrijke andere bestuursfuncties. Zo was hij onder meer gedurende vijftien jaar voorzitter van het departement Breda van de Maatschappij van Nijverheid en voorzitter der Raden van Beroep voor de personele belasting en vermogensbelasting.

Naast bestuurlijke kwaliteiten kan enige artistieke begaafdheid Meinard Tydeman jr. niet ontzegd worden: zijn politieke karikaturen, gemaakt tijdens zittingen van de Tweede Kamer, getuigen hiervan. Ook is bekend dat hij in zijn studententijd reeds viool speelde; later werden in huize Tydeman regelmatig muzikale soirees gegeven. Op sportief gebied liet het gezin Tydeman zich eveneens niet onbetuigd. De Bredase tennisclub Ready, waarvan het echtpaar Tydeman lid was, maakte rond de eeuwwisseling dankbaar gebruik van de in de tuin van het woonhuis aan de Delpratsingel gelegen tennisbaan. De grote passie van Tydeman was echter de jacht. In 1880 schreef hij: 'Heden was voor mij een dier gewichtige dagen in het jaar, waardoor ik vroeger belet werd de voorgaande nacht te slapen; nl. de opening der jacht.'

Deze hartstocht zou hem uiteindelijk noodlottig worden: op 4 november 1916 overleed Tydeman ten gevolge van een jachtongeval in Hilvarenbeek. Zijn overlijden werd alom ervaren als een zware slag voor politiek Nederland.

Kort na zijn heengaan werden zowel het algemene kiesrecht als de gelijkberechtiging van het openbaar en bijzonder onderwijs realiteit. Tydeman jr. had de maatschappelijke ontwikkelingen misschien wel beïnvloed, maar niet kunnen tegenhouden. Het verlies van haar oprichter en leider had ook consequenties voor de Vrije Liberale Partij. Mede hierdoor ging deze partij enige jaren later, in 1922, op in de Liberale Staatspartij, een voorloper van de huidige VVD.


Bronnen

• J. de Beaufort, Vijftig jaren uit onze geschiedenis, 1868-1918, Amsterdam 1928
• De Fakkel, Vrij-Liberaal weekblad, november 1916, nrs. 242 en 243
Inventaris Familiearchief Tydeman. Leidse inventarissen 6, Gemeentearchief Leiden 1990
• H. Kers, 'Portret van een rector', in: De drie steden, Tiel 1994
• C. de Vries en W. Vermeulen, Schets eener parlementaire geschiedenis van Nederland 1891-1918, 's-Gravenhage 1948-1955
• W. de Vries, 150 jaar welstand, Tilburg 1972


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), 
Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 4 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Amsterdam/Meppel 1996).


Auteur: H.T.A.M. van Mierlo

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon