Zuster Marie van Uden (1895-1975)

pionier in het buitengewoon onderwijs

Catharina Maria van Uden, dochter van Joannes van Uden en Maria Dalmijn, werd op 12 oktober 1895 geboren in Dennenburg onder Deursen in het land van Ravenstein. Op 24-jarige leeftijd trad ze in bij de Dochters van Maria en Jozef te 's-Hertogenbosch, beter bekend als de Zusters van de Choorstraat. Hier ontving ze haar kloosternaam: zuster Marie. Ze overleed op 12 maart 1975 te Nuland.

Catharina van Uden was de jongste uit een middenstandsgezin van zeven kinderen: drie meisjes en vier jongens. Haar ouders hadden een bakkerszaak. De kinderen bezochten de lagere school in de eigen woonplaats. Haar oudere zus Magtilda wist al vroeg dat ze onderwijzeres wilde worden. Ze ontving haar opleiding bij de Zusters van de Choorstraat. Tot aan haar pensionering was ze werkzaam als onderwijzeres in het lager onderwijs. Catharina trad in haar voetsporen.

In 1908 vertrok ze naar 's-Hertogenbosch waar ze als interne leerlinge de mulo- en kweekschoolopleiding van de zusters volgde. Na haar examen in 1914 werkte ze vijf jaren op een lagere school van de congregatie in Amsterdam. Ze leerde de Zusters van de Choorstraat en hun werk goed kennen. Deze kennismaking leidde Catharina van Uden naar de keuze voor een religieus leven in deze congregatie die in 1820 was ontstaan en zich voornamelijk had toegelegd op kleuteronderwijs en lager onderwijs voor meisjes. Daarnaast was de congregatie betrokken bij opvoeding en onderwijs in het doofstommeninstituut te Sint-Michielsgestel. Eind 1919 trad ze in. Catharina van Uden werd zuster Marie.

In haar vormingsjaren als novice studeerde ze voor de hoofdakte waarvoor ze in 1922 slaagde. Vervolgens gaf ze onbevoegd les in natuur- en scheikunde aan de kweekschool van haar congregatie. In 1924 behaalde ze de vereiste onderwijsakte. In diezelfde periode groeide in de katholieke onderwijswereld aandacht voor de problematiek van de zogeheten 'onverzorgde en geestelijk en lichamelijk afwijkende jeugd'. Het Rooms Katholiek Nationaal Jeugdcongres van 1922 was geheel aan dit thema gewijd. Diverse sprekers pleitten voor het oprichten van katholieke scholen, internaten en verpleeginrichtingen voor geestelijk gehandicapten of 'zwakzinnigen', zoals zij destijds werden genoemd. Het congres zou zowel voor de Zusters van de Choorstraat als voor zuster Marie van groot belang blijken.

De opvattingen die er werden geventileerd, waren voor de zusters niet nieuw. Herhaaldelijk was het voorgekomen dat er bij het doofstommeninstituut in Sint-Michielsgestel kinderen werden aangemeld die door hun beperkte geestelijke vermogens niet konden spreken. Op deze groep was het instituut echter niet ingesteld. Een aangepaste voorziening in de vorm van een onderwijsinternaat zou uitkomst bieden.

In 1924 richtte het congregatiebestuur een dergelijk internaat op: Huize St. Vincentius te Udenhout, bedoeld voor zogenaamde 'achterlijke' meisjes die in staat waren eenvoudig onderwijs te volgen in enkele schoolvakken, nuttige handwerken en huishoudelijke vakken. De leiding werd toevertrouwd aan de zusters Alphonse van Geffen (1889-1935) en Marie van Uden. Zuster Alphonse was op dat moment directrice van de kweekschool van haar congregatie. Zuster Marie gaf er pedagogiek, natuur- en scheikunde. Na het overlijden van zuster Alphonse werd ze tevens tot directrice benoemd. Daarnaast was zij, aanvankelijk samen met zuster Alphonse, verantwoordelijk voor de invulling en ontwikkeling van het buitengewoon onderwijs in Huize St. Vincentius. Als lid van een onderwijscongregatie werd van zuster Marie verwacht dat zij studeerde voor het werk dat haar door het bestuur was opgedragen. Omdat de ontwikkeling van het buitengewoon onderwijs in Huize St. Vincentius daar om vroeg, begon zuster Marie aan de studie pedagogiek waarvoor ze de middelbare akten haalde.

De Zusters van de Choorstraat begaven zich met hun onderwijsinternaat in Udenhout op een vrijwel onontgonnen gebied. Kennis van en ervaring met onderwijs aan geestelijk gehandicapten waren schaars. Bovendien bestond er nog geen opleiding voor leerkrachten in dit type onderwijs. Op beide terreinen zou zuster Marie een vernieuwende bijdrage leveren. Het stond voor haar vast dat het onderwijs in Huize St. Vincentius gebaat zou zijn bij een samenwerking tussen wetenschap en praktijk. Daarvan was destijds amper sprake. Daarom nam ze zitting in de voorbereidingscommissie voor een katholieke blo-vakstudie aan de Tilburgse Leergangen. Deze cursus ging in 1928 van start. Zuster Marie verkeerde in de veronderstelling dat zij als cursusleidster zou worden aangesteld. De rector van de Tilburgse Leergangen, Th. Goossens, achtte het echter uitgesloten dat zij als vrouw én religieuze leiding zou geven aan mannelijke docenten, onder wie zich een priester, een mannelijke religieus en een arts bevonden. Wel werd ze aangetrokken als docente pedagogiek. Ze werkte tevens mee aan de jaarlijkse pedagogische weken die in het kader van de opleiding werden georganiseerd. Daarnaast schreef ze artikelen en boekbesprekingen voor het Tijdschrift voor R.K. Buitengewoon Lager Onderwijs, het orgaan van de in 1924 opgerichte Bond ter bevordering van het R.K. Buitengewoon Lager Onderwijs.

Zr. Marie leverde een belangrijke bijdrage aan de vernieuwing van didactiek en methodiek. Ze introduceerde een Belgische methode voor zintuiglijke oefening. Samen met zuster Alphonse bedacht ze tien zogenaamde 'belangstellingscentra' die aansloten bij de leefwereld van zwakzinnige meisjes. Ze ontwikkelden aansluitende leerstof die ieder jaar een stapje verder kon worden uitgediept. Om de aanschouwelijkheid te bevorderen bedachten ze leermiddelen die de zusters van huize St. Vincentius zelf in hun schaarse vrije tijd vervaardigden. De begeleiding van de pupillen werd steeds verder verfijnd. Zr. Marie ontwierp een systeem waarmee de ontwikkeling, de mogelijkheden en de vorderingen van elk meisje in kaart konden worden gebracht. Op grond van de verzamelde gegevens werden verschillende niveaugroepen onderscheiden, elk met een eigen lesprogramma. Het aangepaste onderwijs en de nieuwe aanpak in Huize St. Vincentius hadden een grote uitstraling. Onderwijsmethode en leermiddelen trokken de aandacht en kregen elders navolging: in katholieke kring en daarbuiten, in binnen- en in buitenland. Als docente pedagogiek liet zuster Marie haar kweekschoolleerlingen in Huize St. Vincentius kennismaken met de praktijk. Bovendien besteedde ze veel aandacht aan de gevolgde didactiek en pedagogiek. Zo leidde zij een generatie onderwijzeressen voor het lager onderwijs op die beter op de hoogte was van het buitengewoon onderwijs dan gemiddeld.

De praktijk in Huize St. Vincentius leidde tot een verdergaande onderscheiding van categorieën geestelijk en/of lichamelijk gehandicapten die aangepaste zorg behoefden. Daaraan kwamen de Zusters van de Choorstraat onder meer tegemoet door de oprichting van het Pedologisch Instituut Nijmegen en de daaraan verbonden St. Maartenskliniek, van een internaat voor moeilijk opvoedbare meisjes en van blo-dagscholen. In Eindhoven richtten ze in 1951 tevens een internaat voor slechthorende jongens en meisjes op: Instituut St. Marie.

Zr. Marie werd tot directrice benoemd van dit instituut, waarvan de naam overigens niets van doen had met haar eigen naam. Opnieuw was het haar taak om een aangepaste didactiek en methodiek te ontwikkelen. Een grondige kennis van en inzicht in de problematiek van slechthorenden waren volgens zuster Marie hiervoor noodzakelijk. In 1953 behaalde ze aan de Katholieke Universiteit Nijmegen onder meer het diploma logopedie en in 1955 slaagde ze aan de Universiteit van Utrecht voor de eerste cursus akoepedie die hier te lande werd gegeven. Deze cursus behelsde geluidsleer en kennis van gehoorverlies. Evenals in Huize St. Vincentius ging ze in het slechthorenden-onderwijs uit van de principes zelfwerkzaamheid, globaliteit en individualisme. Centraal stond taalverwerving om goed te kunnen functioneren in het sociale leven. Veel aandacht was er voor vakken waarbij een beroep werd gedaan op gevoel en esthetiek zoals declamatie, tekenen, ritmische oefeningen en muziek.

Om haar verdiensten voor de slechthorende jeugd werd zr. Marie in 1963 benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Twee jaar later moest ze, inmiddels 70 jaar oud, om gezondheidsredenen haar werk neerleggen. Ze vertrok naar Amsterdam waar ze overste werd van een communiteit. Maar nog steeds hield ze haar vakliteratuur bij en volgde ze het wel en wee van haar oud-pupillen en collega's. Eind 1969 vierde ze haar gouden kloosterjubileum. Ze wenste zelf geen geschenken maar vroeg een financiële bijdrage voor het werk dat enkele medezusters in Indonesië voor slechthorende kinderen verrichtten. Op 75-jarige leeftijd verhuisde ze naar het bejaarden- en verzorgingshuis van de congregatie in Nuland. Tengevolge van een beroerte verloor ze een aanzienlijk deel van haar gezichtsvermogen, een verlies dat haar laatste levensjaren zwaar maakte. Op 12 maart 1975 overleed zuster Marie, 79 jaar oud.

Het In Memoriam dat bij die gelegenheid verscheen in het contactblad van Instituut St. Marie vermeldt haar gedrevenheid en haar totale inzet voor het belang van het slechthorende kind. Daarin was ze streng, maar haar doorzettingsvermogen en enthousiasme, haar vindingrijkheid en enorme betrokkenheid maakten echter dat haar gestrengheid werd geaccepteerd. Ze was een stimulans voor haar medeleerkrachten, stond dag en nacht klaar en ze wist altijd wel een oplossing te vinden voor kinderen die uit de boot vielen omdat de geboden behandeling niet bij hen paste.

Door haar praktische werk voor zwakzinnigen en slechthorenden leverde zuster Marie een bijdrage aan de wetenschappelijke inzichten over hun opvoeding, onderwijs en behandeling. Ze was daar enerzijds trots op maar liet er anderzijds geen twijfel over bestaan dat het haar daar niet om ging. Als religieuze en als onderwijs-vrouw in hart en nieren leefde ze voor het welzijn van het 'afwijkende' kind: in de maatschappij en in het hiernamaals. Zuster Marie van Uden wás haar werk.


Bronnen
• José Eijt, ''Daar was je dochter veilig.' Vrouwelijke religieuzen en de zorg voor gehandicapte meisjes 1900-1960', in: Marjet Derks en Annelies van Heijst (red.), Terra Incognita. Historisch onderzoek naar katholicisme, vrouwen en vrouwelijkheid, Kampen 1994, 149-172
• José Eijt, Religieuze vrouwen: bruid, moeder, zuster. Geschiedenis van twee Nederlandse zustercongregaties, 1820-1940, Hilversum/Nijmegen 1995
• José Eijt, ''Het is hard werken geweest, dag en nacht.' De Zusters van de Choorstraat en hun zorg voor zwakzinnige meisjes, 1924-1955', Brabants Heem 48 (1996) 3, 103-111
• Marjet Derks en Rob Wolf, Wetenschap in dienstbaarheid. Ida B.M. Frye (1909), heilpedagoge, Nijmegen 2000


Dit artikel verscheen eerder in: J. Brouwers e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noord-Brabanders. Deel 6 (Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, 's-Hertogenbosch 2003).


Auteur: José Eijt

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon