Henk Veeneman (1909-1945)

waarnemend burgemeester in oorlogstijd

Hendrikus (Henk) Antonius Johannes Veeneman werd op 9 september 1909 geboren te Woensel als zoon van Johannes Franciscus Veeneman en Elisabeth Couwenberg. Het gezin telde twee kinderen. Hij huwde op 22 juni 1938 met Alphonsa Wilhelmina Maria Winters. Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren. Henk Veeneman overleed op 14 april 1945 in het concentratiekamp Mauthausen in de leeftijd van 35 jaar.

Blijkens een foto uit 1923 heeft Henk Veeneman na zijn lagere-schoolperiode enige tijd doorgebracht op het pensionaat St. Louis te Weert. Zijn carrière als gemeenteambtenaar begon op 1 augustus 1924, toen hij als volontair ging werken op het gemeentehuis van Son. Per 1 januari 1929 werd hij hier bezoldigd ambtenaar, en op 1 september 1941 gemeentesecretaris.

Veeneman speelde viool en piano. Bovendien was hij koorzanger. Zijn liefde voor de muziek heeft hij echter vooral gestalte gegeven door zeer vele organisatorische en bestuurlijke activiteiten. Hij was voorzitter van de Sonse fanfare en directeur van het koor van zijn parochie. In maart 1937 werd mede op zijn initiatief de R.K. Bond van Harmonieën en Fanfaregezelschappen in het bisdom 's-Hertogenbosch opgericht, waarvan hij de eerste secretaris werd. Toen een jaar later de Federatie van Harmonie- en Fanfaregezelschappen op R.K. Grondslag werd opgericht, werd hij ook hiervan secretaris. Hij was de ziel en motor van het bestuur en gaf de stoot tot oprichting van het maandblad Ons Orgaan.

Als secretaris van de R.K. Federatie kwam Veeneman in 1941 in conflict met de bezettende macht. Deze wilde namelijk het gehele Nederlandse cultuurleven ondergeschikt maken aan de nationaal-socialistische ideeën. Daartoe werd de Kultuurkamer opgezet, met een voorzitter die alleenbeslissingsrecht had. Alle uitvoerende en scheppende amateurs en professionele kunstenaars moesten lid worden, indien zij hun liefhebberij of beroep in het openbaar wilden uitoefenen. Ook de desbetreffende amateurgezelschappen of beroepsverenigingen moesten bij de Kultuurkamer aangesloten zijn. Toen duidelijk werd dat ook de Federatie aan aansluiting niet zou kunnen ontkomen, gaf Veeneman onomwonden te kennen dat deze hieraan geen medewerking zou verlenen. Het Nederlands episcopaat had lidmaatschap van de Kultuurkamer principieel afgewezen. Veeneman heeft hierover veelvuldig contact gehad met de toenmalige aartsbisschop van Utrecht, dr. J. de Jong, die hem in een brief liet weten hem dankbaar te zijn voor zijn principiële houding. In oktober 1942 werd het bestuur van de R.K. Federatie door het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten, waaronder de Kultuurkamer ressorteerde, uit zijn functie ontheven. Een bestuurder werd aangewezen om een nieuw bestuur te formeren, maar de Federatie was toen al een lege huls: de aangesloten muziekgezelschappen hadden te kennen gegeven hun activiteiten te staken en Veeneman had ervoor gezorgd dat er zo goed als geen geld meer in kas was. Na de oorlog bleek dat hij in 1942 op de gijzelaarslijst gezet was wegens zijn verzet tegen de Kultuurkamer.

Veeneman heeft ervoor gezorgd dat een aantal personen in Son en Breugel arrestatie door de bezetter kon ontlopen door hen tijdig te waarschuwen. Zelf was hij ingelicht via een onbekend gebleven informant uit Eindhoven.

Op 31 december 1943 werd Veeneman benoemd tot waarnemend burgemeester van Son en Breugel, nadat de toenmalige burgemeester door de bezetter was gegijzeld. Reeds in de eerste week daarna kwam de opdracht binnen mannelijke inwoners aan te wijzen om in Zeeland aan de kustverdediging te gaan werken. Op 13 januari 1944 kwamen de burgemeesters uit de regio voor het eerst bijeen om met elkaar over deze opdracht te overleggen. Daar Veeneman en de andere burgemeesters weigerden om aan de opdracht gevolg te geven, werden zij op 5 juli per telegram opgeroepen om de volgende dag bij de Beauftragte voor Noord-Brabant in Vught te komen. Het is dan een maand na de geallieerde landing in Normandië. De Beauftragte, Sellmer, resideerde in huize Roucouleur. Daar verhoorden twee ondergeschikten de zeven burgemeesters. De burgemeesters verklaarden tijdens dit verhoor, dat zij de opdracht niet op hun geweten konden nemen. Daarop liet Sellmer hen in een kamer opsluiten. De Sicherheitspolizei werd gebeld, die hen vervolgens arresteerde. Slechts één van hen, burgemeester Manders van de gemeente Leende, heeft de gevolgen van deze arrestatie overleefd en verslag kunnen doen van het onderhoud op Roucouleur. Twee dagen na de gevangenneming zond de secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken naar Veenemans huisadres het Besluit van de Generalkommissar voor Bestuur en Justitie van 8 juli 1944, inhoudende diens onmiddellijk ontslag als waarnemend burgemeester en gemeentesecretaris. Daarbij werd uitdrukkelijk bepaald, dat hem geen pensioen mocht worden toegekend. Drie weken na zijn arrestatie werd zijn jongste dochter geboren.

De eerste tijd heeft Veeneman in het kamp van Vught gezeten. Begin augustus 1944 lukte het hem enige briefjes uit het kamp te smokkelen. Eerst verwachtte hij naar het gijzelaarskamp van Sint-Michielsgestel of naar Duitsland overgebracht te zullen worden. Daarna dacht hij 1 november wel thuis te zijn: de oorlog zou gauw zijn afgelopen. In weer een later briefje schreef hij: 'Wij zullen wel niet meer verplaatst worden.' De briefjes zijn niet gedateerd, maar dragen wel telkens een ander baraknummer. Op 6 september 1944, twee weken voor de bevrijding van Son en Breugel, werd het kamp Vught ontruimd. Veeneman werd overgebracht naar het kamp Sachsenhausen in Oranienburg, dicht bij Berlijn, en eind februari naar het beruchte kamp Mauthausen bij Linz in Oostenrijk. Een kampgenoot uit Sachsenhausen en Mauthausen, J.H.T. Colleije, schreef in zijn navrant verslag over het verblijf daar: 'Henk Veeneman uit Son was mijn slaapje en tevens mijn beste vriend geworden.' Op 7 april 1945 werd Veeneman wegens algehele uitputting opgenomen in het Krankenrevier. Uit de officiële kampadministratie blijkt dat hij op 14 april 1945 is overleden. Pas op 8 januari 1946 kon de officiële bevestiging van dit overlijden aan de familie meegedeeld worden.

Veeneman was er zich van bewust, dat weigeren te gehoorzamen aan een opdracht waarvoor hij de verantwoordelijkheid niet op zijn geweten kon nemen, in de bezettingstijd ernstige gevolgen kon hebben. Dat weerhield hem er niet van de goede beslissingen te nemen. Die beslissingen hebben hem het leven gekost.


Bronnen

• J.J.A. Aalders, 'Uit de geschiedenis van de R.K. Federatie', in: St. Caecilia. Officieel Maandblad van de R.K. Federatie van Muziekgezelschappen in Nederland 15 (1960)
• Th. Cornelissen, Dossier betreffende personen, welke in bezettingstijd medegewerkt hebben in de Kultuurkamer. Uitgave van Federatie van Bonden van Harmonie- en Fanfaregezelschappen op R.K. Grondslag en Nederlandse Federatie van Christelijke Muziekbonden, Amersfoort z.j.
• Familiepapieren mevr. A.W.M. Veeneman-Winters te Son
• Gemeentearchief Son en Breugel, inventaris 1971-1980, nrs 2.07.354.1, 2.07.532, 2.07.531 en 2.08
• L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 7, 's-Gravenhage 1976, 1293 e.v.
• W.B.J.M. van der Meeren, 'H.A.J. Veeneman, gemeentesecretaris en waarnemend burgemeester', in: Heem Son en Breugel 1 (1993)
• F.J. Woestenburg, 'In memoriam Henk Veeneman', in: St. Caecilia 4 (1947) 1


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 3
(Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Amsterdam/Meppel 1995).


Auteur: W.B.J.M. van der Meeren

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon