Gerard Veldkamp (1921-1990)

politicus en wetenschapper

Gerardus Matheus Johannes Veldkamp werd geboren te Breda op 27 juni 1921 als zoon van Jacques Jacobus Hubertus Antonius Hendricus Veldkamp en Anna Sophia Josephine Siebel. Op 1 juli 1948 trad hij in het huwelijk met Maria Adriana Anna Clarijs. Uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren. Gerard Veldkamp overleed te Parijs op 15 september 1990.

Gerard Veldkamp groeide op in een eenvoudig, typisch katholiek gezin. Vader Jacques, geboren te Breda, was van beroep monteur en ovenbouwer. Moeder Anna, Duitse van geboorte, had de huishoudelijke zorg voor het gezin Veldkamp, met naast Gerard nog de broers Antoon en Theo, beide geboren in Duitsland.

Gerard doorliep eerst de RK Mulo St.-Sylvester en vervolgens het Onze-Lieve-Vrouwelyceum te Breda. Daarna wilde hij een universitaire opleiding scheikunde gaan volgen, maar het gezin Veldkamp bezat hiervoor niet de benodigde financiële middelen. Op advies van zijn rector, dr Gerretzen, accepteerde hij toen een baan als machineschrijver op arbeidscontract bij de Bredase Raad van Arbeid. Gerards leven nam hierdoor een beslissende wending. Een verplichte cursus leidde hem binnen in de wereld van de sociale verzekeringen, een terrein dat zijn verdere loopbaan zou bepalen en waarin hij zou uitgroeien tot erkend specialist. De m.o.-cursus economie die hij daarnaast nog volgde, werd bekostigd door inkomsten die hij verdiende met orgelspelen, zijn grote hobby.

In de oorlog maakte het gezin Veldkamp sombere tijden door. Gerards oudste broer Antoon belandde in een concentratiekamp en zijn oudere broer Theo werd door de Duitsers gedeporteerd naar Joegoslavië. In 1944 overleed Gerards vader aan een slopende ongeneeslijke ziekte. Gerard moest vrijwel de gehele oorlogstijd alleen voor zijn moeder zorgen. Direct na de bevrijding ging Veldkamp economie studeren aan de Economische Hogeschool in Tilburg. Al na drie jaar behaalde hij zijn doctoraalexamen, ondanks het feit dat hij naast zijn studie zijn werkzaamheden bij de Raad van Arbeid voortzette. Veldkamp promoveerde in november 1949 cum laude op het proefschrift Individualistische trekken in de sociale arbeidsverzekering.

Betrokken bij de naoorlogse ontwikkeling schreef hij artikelen, eerst in De Stem, later ook in De Tijd en meer wetenschappelijk in het arbeidsrechtelijk, sociaal-politieke tijdschrift Sociaal maandblad Arbeid. Vanaf 1948 was Veldkamp bovendien leraar aan een m.t.s. en aan de school voor maatschappelijk werk in Breda. Zijn wetenschappelijke en maatschappelijke bezigheden in Breda leidden ertoe dat men hem kandidaat stelde voor de gemeenteraad. Op 27-jarige leeftijd werd Veldkamp gemeenteraadslid voor de Katholieke Volkspartij (KVP). Hij bleef dit tot 1952, de laatste twee jaar als fractievoorzitter. Veldkamp kreeg intussen ook landelijk enige bekendheid. In 1950 werd hij benaderd door A. van Rhijn, secretaris-generaal op het departement van Sociale Zaken, met het verzoek om als adviseur op te treden van minister van Sociale Zaken A. Joekes (PvdA). Joekes was eerder, onder druk van de PvdA, afgeweken van een voordracht om Veldkamp te benoemen tot voorzitter van de Raad van Arbeid in Breda. In zijn functie van adviseur vervulde Veldkamp ook het secretariaat van enkele staatscommissies, de commissie-Cobbenhagen (bezitsvorming) en de commissie-Muntendam (Ziekteverzuim en arbeidsproduktiviteit). Veldkamp was bovendien secretaris van enkele commissies van het aan de KVP gelieerde Centrum voor Staatkundige Vorming.

Al deze activiteiten bleven niet onopgemerkt in politiek Den Haag. In 1952 vroeg C. Romme, de bekende KVP-voorman, hem staatssecretaris van Economische Zaken te worden. Veldkamp accepteerde en zou die functie tot 1961 blijven vervullen in de opeenvolgende kabinetten -Drees, -Beel en -De Quay. Hij werd merkwaardigerwijs voornamelijk belast met middenstandsaangelegenheden, een terrein waarop hij geen specifieke kennis had. Romme meende echter dat dit geen belemmering hoefde te vormen want 'dan wordt u ook niet gehinderd door kennis van zaken en kunt u er alles van maken'. Veldkamp werkte zich snel in en breidde stilaan zijn takenpakket uit. De samenwerking met minister Zijlstra was uitstekend, met diens opvolger J. de Pous daarentegen wilde de samenwerking vanwege karakterologische verschillen minder vlotten. De belangrijkste nalatenschap van Veldkamp als staatssecretaris waren de twee nota's over het middenstandsbeleid en de nota's over het toerisme en over de televisiereclame.

Veldkamp beschouwde het staatssecretariaat echter als een voorportaal van het door hem zo begeerde ministerschap van Sociale Zaken. Bij de formatie van het kabinet-De Quay bleken echter tegen zijn persoon de nodige bedenkingen te bestaan. Veldkamp zelf meende dat met name de invloedrijke KVP-er L. Beel zich tegen zijn ministerschap verzette. Beel zou het niet hebben kunnen verkroppen dat Veldkamp in 1952, tegen zijn advies in, het verzoek van Romme om staatssecretaris te worden, had geaccepteerd. J. De Quay was bovendien beducht voor 'de minder aangename kanten van zijn karakter'. Uiteindelijk werd dan ook Ch. Van Rooy boven Veldkamp verkozen. Deze vroeg Veldkamp nog wel om als zijn staatssecretaris op te treden, maar daar maakte deze bezwaar tegen met de woorden: 'Als ik minister zou zijn zou ik jou niet als staatssecretaris willen hebben want je weet er niks van en zodoende word ik bij jou ook geen staatssecretaris'. Het feit dat men hem bij de formatie had geweerd ten voordele van de duidelijk minder gekwalificeerde Van Rooy was een grote teleurstelling voor Veldkamp. Kort daarna kreeg hij echter alsnog zijn zin. Van Rooy schutterde tijdens de parlementaire behandeling van een wetsontwerp inzake de kinderbijslag en moest het veld ruimen. Ondanks de eerder geopperde bezwaren kon men nu niet meer om Veldkamp heen.

Als minister is Veldkamp bekend geworden als de voltooier van het gebouw van de Nederlandse sociale zekerheid. In de 'golden sixties' waren de economische voorwaarden weliswaar gunstig voor de uitbouw van het sociale zekerheidsstelsel maar Veldkamp heeft als minister van Sociale Zaken in de kabinetten -De Quay, -Marijnen, -Cals en -Zijlstra ook duidelijk zijn eigen stempel op het sociale beleid gedrukt. Tot het oeuvre van minister Veldkamp behoort onder andere het optrekken van de AOW tot een sociaal minimum, de voorbereiding van de AWBZ en - zijn pronkstuk - de invoering van de WAO.

Veldkamp trad tijdens formatiebesprekingen en in de ministerraad zeer strijdvaardigheid op. Voor sommigen te strijdvaardig. Zijn collega-minister op het departement van CRM, M. Klompé, die met Veldkamp de strijd aanbond inzake een mogelijke overheveling van taken van het ene naar het andere departement, is meerdere malen in huilen uitgebarsten tijdens ministerraadsvergaderingen. Niet van verdriet, maar van woede, meende Veldkamp. De Quay sommeerde hem dan 'aardiger voor Marga te zijn'. Zelf kon Veldkamp ontvlammen in wat werd beschreven als 'pathologische' of 'cholerische' woedeaanvallen. Veldkamp trad aan in kabinetten van diverse politieke samenstelling. De kleur van de kabinetten deerde hem blijkbaar niet. Hij zat in een kabinet om een bepaald programma af te werken. Dat hij daarbij op sommige tenen trapte, nam hij op de koop toe. 'Wat ik raar vind in de Nederlandse politiek is dat men het een politicus kwalijk neemt als hij voor een bepaalde zaak werkt. Daar ben je toch voor ingehuurd. Politiek is geen kegelclub van toffe jongens', aldus Veldkamp.

Door zijn toch wat onconventionele optreden als minister was de herbenoeming van Veldkamp in de opeenvolgende kabinetten nimmer een vanzelfsprekende zaak. Bij de formaties van de kabinetten -Marijnen en -Cals bijvoorbeeld gingen er stemmen op om hem te vervangen. Maar mede door zijn sterke relatie met de vakbeweging wilde de PvdA zich bij de formatie in 1965 niet branden door de kundige Veldkamp te vervangen door een PvdA-minister.

Na zijn aftreden als minister in 1967 werd Veldkamp belast met de vereenvoudiging en codificatie van het sociale zekerheidsrecht en benoemd tot voorzitter van de gelijknamige staatscommissie. Deze functie vervulde hij tot 1982. In 1978 werd hij benoemd tot bijzonder hoogleraar in de leer der sociale zekerheid aan de Rijksuniversiteit Leiden. Vanaf 1984 kwam daar nog een buitengewoon hoogleraarschap aan de Katholieke Universiteit Brabant bij.

Hiermee is zeker nog geen volledig overzicht gegeven van de vele functies die Veldkamp tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd in 1986 vervulde. Ook in het internationale circuit bouwde Veldkamp een indrukwekkend curriculum op. Als expert op het gebied van de sociale zekerheid raakte hij betrokken bij de voornaamste beleidsorganen op deze terreinen, zoals de Internationale Arbeidsorganisatie te Genève, de Raad van Europa en de Europese Gemeenschap. Talrijke regeringen, met name van ontwikkelingslanden, voorzag hij van adviezen. Dit was ook het doel van de reis die hij in september 1990 in opdracht van de Verenigde Naties naar Tsjaad zou maken, maar waaraan door zijn plotselinge overlijden in Parijs een vroegtijdig einde kwam.


Bronnen

• G.M.J. Veldkamp, Herinneringen 1952-1967. Le carnaval des animaux politiques, bewerkt door P.G.T.W. van Griensven en J.M.M.J. Clerx, 's-Gravenhage 1993
• P.F. Maas, Kabinetsformaties 1959-1973, 's-Gravenhage 1982
• J. Jungschleger, C. Bierlaagh, Marga Klompé, een gedreven politica, haar tijd vooruit, Utrecht 1990
Haagse Post, 24 april 1982
De Volkskrant, 19 september 1990
Sociaal Maandblad Arbeid, 46e jrg. (1991), nr.3
Tijdingen over het Katholiek Onderwijs in Nederland, 2e jrg. (1960-1961), nr.2


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 2 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening,
Amsterdam/Meppel 1994).


Auteur: P.G.T.W. van Griensven

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon