Dom Willibrord Verbruggen (1859-1935)

abt van de abdij Onze Lieve Vrouw van Koningshoeven

Franciscus Aloysius Verbruggen - roepnaam Fransoo of Soo - werd geboren op 3 september 1859 te Berchem bij Antwerpen. Zijn ouders, Petrus Benedictus Verbruggen en Joanna Maria van Regenmortel, verdienden een goed belegde boterham met een eigen tuinbouwbedrijf. Dom Willibrord Verbruggen overleed op 2 september 1935 als Padre Francesco in Rome.

Over Fransoo's jeugd is niets bekend. Net zo min als over zijn beweegredenen om te kiezen voor het toen nog zeer strenge trappistenleven. In 1881 trad hij in in de abdij van Westmalle en nam de naam Willibrordus aan, naar de patroon van zijn parochiekerk. In 1883 sprak hij zijn tijdelijke gelofte uit en in 1886 zijn eeuwige gelofte. Pater Willibrordus was de eerste Belgische trappist die mocht gaan studeren in Rome. Hij had nog maar net zijn baccalaureaat in de filosofie behaald toen hij in de zomer van 1890 aangesteld werd als overste van Koningshoeven te Berkel-Enschot.

Deze priorij was een dochterhuis van de abdij van Katsberg in Noord-Frankrijk. Bij de stichting in 1881 speelde vrees voor anti-klerikale tendensen in het vaderland een belangrijke rol; vandaar dat aanvankelijk van 'toevluchtsoord' gesproken werd. Toen pater Willibrordus er arriveerde, bestond het klooster uit drie boerderijen die ooit aan koning Willem II hadden toebehoord. De monniken leefden van de opbrengsten van hun bierbrouwerij en boerderij.

Reeds in het voorjaar van 1891 kreeg Koningshoeven de status van abdij en de 31-jarige dom Verbruggen mocht zich voortaan abt noemen. Zijn pogingen om brouwerij 'De Schaapskooi' uit te breiden waren succesvol maar stuitten ook op weerstand van Brabantse brouwers die de trappisten beschuldigden van valse concurrentie. De uitbreiding en modernisering waren echter hard nodig om de inmiddels begonnen bouw van de abdij te bekostigen. Er was een gigantische lening voor afgesloten bij een Antwerpse bank.

Op 17 september 1894 wijdde mgr. Wilhelmus van de Ven, bisschop van Den Bosch, de abdijkerk in. Het feest was grandioos, maar de kater liet niet lang op zich wachten. De brouwerij raakte in het slop en de opbrengsten stonden in geen verhouding tot de zware hypotheeklast die op het klooster rustte. Preciezer gezegd, op dom Verbruggen zelf, want alle kloostergoederen stonden op zijn naam. Een gegeven dat talloze complicaties met zich mee zou brengen.

Overspannen verliet de abt in het najaar van 1895 zijn klooster om pas bijna een jaar later weer terug te keren. De brouwerij was ondertussen weer goed gaan lopen dankzij de inspanningen van de econoom van de Katsberg, pater Léon van Hoorne. Een door hem afgesloten contract met de Brusselse bieragent Lambert Vinckx bleek daarbij bepaald lucratief. Heel wat minder succes had een met geld van de Katsberg opgerichte weverij van kloosterstoffen.

Diverse perikelen rond dit nieuwe bedrijf brachten in de loop van 1897 grote spanningen teweeg tussen moederhuis en dochterhuis. Vooral toen dom Verbruggen - nadat de Katsberg de weefgetouwen weg had gehaald - met een eigen, concurrerende weverij wilde beginnen. Binnen de orde gingen al stemmen op voor zijn ontslag.

Veel ernstiger echter was de crisis die dom Verbruggen in 1899 te verwerken kreeg toen hij in Rome aangeklaagd werd wegens een 'geheim huwelijk' met een Brusselse jongedame. De aanklacht werd mede ondersteund door Vinckx en door de uitgetreden trappist Karl Frech, voormalig brouwmeester van 'De Schaapskooi'. Beiden voelden zich door de abt financieel benadeeld .

Paus Leo XIII gaf de generale abt van de orde, dom Sébastien Wyart, te verstaan dat dom Verbruggen naar een ander klooster overgeplaatst diende te worden. Dat dit niet gebeurde, was vermoedelijk te danken aan dom Wyarts beroep op grote financiële risico's wegens de eigendomssituatie. De met pamfletten gevoerde lastercampagne van Frech liep op niets uit.

De abt begon zich nu actief in te zetten voor Franse trappistinnen die een opnieuw dreigende bui van anti-klerikalisme niet wensten af te wachten. Zo zorgde hij voor drie toevluchtsoorden in Boxtel, Blitterswijk en vlakbij zijn eigen abdij. Bovendien stichtte hij een dochterhuis in Zundert - Maria Toevlucht geheten - en een kloostertje in Charneux (provincie Luik). Plannen om van 'Charneux' een studiehuis te maken voor de Kongomissie leden in 1904 schipbreuk.

Datzelfde jaar overleed dom Wyart. Met hem verloor dom Verbruggen zijn belangrijkste steun en toeverlaat. De nieuwe generale abt, mgr. Augustin Marre, wilde vooral de financiële situatie van de orde veilig stellen. Minstens zo belangrijk was de bestuurswisseling op de Katsberg. Hier kreeg dom Bernard Richebé het voortaan voor het zeggen. Diens eerste reguliere visitatie op Koningshoeven, in april 1906, verliep in een ijzige atmosfeer. Met name raakte dom Richebé verontrust door de zware schulden van zijn dochterhuis.

Een half jaar later werd dom Verbruggen een proces aangedaan door de Brusselse bieragent Vinckx wegens contractbreuk. Ook pater Léon van Hoorne moest zich in de loop van 1907 verantwoorden voor de Bredase rechtbank. Daarmee kwamen Koningshoeven en de Katsberg opnieuw tegenover elkaar te staan, maar ditmaal in het openbaar. Mgr. Marre greep echter pas in toen hij in de zomer van 1907 'onklaarheden' ontdekte in de boekhouding van Koningshoeven.

De H. Congregatie van Bisschoppen en Regulieren werd op de hoogte gebracht en schakelde een externe deskundige in: mgr. J. Pompen, vicaris-generaal van het bisdom Den Bosch. In het in juli 1908 opgestelde visitatieverslag concludeerde mgr. Pompen onder meer dat dom Verbruggen niet langer aan mocht blijven en dat Vinckx ten dele schadeloos gesteld moest worden door dochterhuis èn moederhuis. Dat laatste tot ontsteltenis van dom Richebé die eind 1907 al een geheime memorie naar Rome had gestuurd over het doen en laten van Verbruggen binnen en buiten het klooster; overigens voor een belangrijk deel gebaseerd op 'feiten' van jaren her.

Het onderzoek van mgr. Pompen had in zoverre effect dat mgr. Marre de abt van Koningshoeven begon te pressen om afstand te doen van zijn eigendomstitel. Dom Verbruggen weigerde echter en negeerde zelfs een dreigement van ontslag. Het was tenslotte dom Richebé die, gewapend met een pauselijk decreet, in mei 1909 de definitieve aanval inzette. Samen met enige overlopers probeerde hij de abt te isoleren door een strategie van 'ontvolking'.

De 'belegering' van de abdij trok wekenlang de aandacht van de Nederlandse pers. Ten onrechte werd het daarbij soms voorgesteld alsof de meeste monniken partij kozen voor de opstandige abt. De toen nog strikte zwijgplicht en blinde gehoorzaamheid aan Vader Abt enerzijds, het gestuntel van de autoritaire Richebé en de Romeinse Congregatie anderzijds, verklaren mede waarom het zo lang duurde voordat de monniken begrepen dat zij hun klooster moesten verlaten. Alleen in Zundert en Charneux werd het bevel vrijwel probleemloos uitgevoerd.

Op 4 juli - de meeste kloosterlingen waren vertrokken en de bierbrouwerij lag nagenoeg stil - gaf dom Verbruggen zijn verzet op. Twee dagen later verliet hij voorgoed Koningshoeven. De onderhandelingen over ontslag en eigendomsafstand namen nog enige maanden in beslag. Verbruggen zou daarbij afgezien hebben van een vast jaargeld als hij maar de titel van 'demissionair abt' mocht blijven voeren. Ook zijn pontificalia, een borstkruis en een ring, zaten in de koffers waarmee hij in de herfst van 1909 zijn geboorteplaats Berchem verliet.

Sindsdien vernam de familie taal noch teken van Nonkel Soo. Pas in het midden van de jaren zeventig, toen een achterneef met een stamboomonderzoek begon, kwam zijn naam weer bovendrijven.

Hoe het leven van Verbruggen er tussen 1909 en 1933 uit heeft gezien, weet niemand. De kroniekschrijver van Koningshoeven maakt slechts melding van omzwervingen in Engeland, Zwitserland en Frankrijk. Vast staat echter dat de ex-abt van 1912 tot 1923 ingeschreven stond in het bevolkingsregister van Genève. Dat hij er warmpjes bijzat, blijkt uit de opgegeven adressen: meest hotels en pensions uit de duurdere prijsklasse. Leefde hij van een erfenis van een Romeinse gravin, zoals ooit gesuggereerd is?

Over zijn laatste levensjaren is iets meer bekend. Eind 1933 lag de toen 74-jarige Verbruggen met 'kanker aan het onderlijf' in een ziekenhuis in het departement Côte d'Azur. Een Franse oud-collega haalde hem over om terug te keren in de orde.

In de zomer van 1934 meldde Padre Francesco - zoals hij voortaan heette - zich in het klooster van Frattocchie ten zuiden van Rome. Hij kreeg een functie buitenshuis, namelijk als hulprector van de trappistinnen van Grotta Ferrata. Hij was een voorbeeldige monnik, zo getuigde moeder Pia, de abdis. Over zijn verleden werd nooit gesproken.

Padre Francesco stierf op 2 september 1935, daags voor zijn 76ste verjaardag. Hij werd begraven op het kerkhof van Frattocchie. Niet bij de abten maar bij de monniken. Pas later hoorden zijn medebroeders dat de in zichzelf gekeerde Vlaamse pater ooit abt was geweest van de grootste abdij van de orde.


Bronnen

• Pater Anselmus Terstegge, Honderd jaar monnikenleven in Koningshoeven, Tilburg 1984
• Pater Jan B. van Damme, Geschiedenis van de Trappistenabdij te Westmalle (1794-1956), Antwerpen/Amsterdam 1977
• Fr. M. Seraphinus Lenssen O.C.s.o., Huiskroniek (Histoire intime) van de Abdij O.L.V. van Koningshoeven bij Tilburg, (Typoscript, 'voorbehouden voor het archief', 1956)
• Pater Jan B. van Damme, Drie 'archiefopstellen' (Typoscript, z.j.)


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 1 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening,
Amsterdam/Meppel 1992).


Auteur: Joep Eijkens

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon