Peter Verhoysen (1757-1835)

politicus

Peter Verhoysen werd op 3 december 1757 gedoopt in de rooms-katholieke schuurkerk te Helmond, als zoon van Jacob Verhoysen, herbergier, en Jennemarie van Haendel; hij overleed te Helmond op 23 februari 1835.

Peter Verhoysen, vierde uit een gezin van vijf kinderen, bezocht van 1773 tot 1775 de Latijnse School te Gemert. Aansluitend studeerde hij filosofie te Leuven, de geijkte vooropleiding voor het priesterambt. In 1777 overleed zijn oudste broer en de student keerde terug naar huis om mee te werken in het bedrijf van zijn ouders, een herberg annex voermansbedrijf. Na de dood van zijn vader pakte Peter de academische studie weer op, maar nu te Leiden, waar hij in juni 1790 promoveerde in de rechten. Enige maanden later huwde hij met Jacoba van Liempt, de dochter van een rijke Helmondse textielfabrikant. Het verhaal gaat dat hij op haar aandringen de studie heeft hervat, omdat zij wel met een advocaat maar niet met een voerman wilde trouwen. Het echtpaar behoorde tot de rijkste inwoners van Helmond en was bovendien een belangrijke financier van de plaatselijke textielnijverheid.

Verhoysen zou, met vele onderbrekingen vanwege zijn bestuurlijke en ambtelijke carrière, tot zijn dood toe als advocaat in Helmond werkzaam zijn. Ofschoon hij zich in de patriottentijd niet heeft gemanifesteerd, speelde hij vanaf de inval van de Fransen in 1794 een belangrijke rol in de gewestelijke en landelijke politiek. In 1795 fungeerde hij als waarnemend secretaris van Helmond. Het stadsbestuur vaardigde hem in augustus van dat jaar af naar de vergadering van de provisionele representanten van Bataafs-Brabant, de Statenvergadering van ons gewest. Hier trad hij vanwege zijn scherpzinnigheid snel op de voorgrond: hij meende dat Brabant voortaan bestuurd zou moeten worden door Brabanders en dat in dit overwegend katholieke gewest geloofsgenoten de plaatsen van de hervormde bestuurders moesten innemen, een overtuiging die hij tot zijn dood toe behield. In deze periode maakte hij zich sterk voor het katholieke onderwijs in Brabant en wist te bereiken dat het merendeel van de toenmalige hervormde schoolmeesters wegens onbekwaamheid het veld moest ruimen. Van 1796 tot 1801 zou hij namens Brabant zitting hebben in de nationale volksvertegenwoordiging en hier als lid van de constitutiecommissie een bijdrage leveren aan de samenstelling van een nieuwe grondwet. Hij gold als een gematigd unitariër, dat wil zeggen dat hij een voorstander was van een eenheidsstaat, waarbij echter terdege rekening werd gehouden met de plaatselijke omstandigheden. Daarbij dacht hij uiteraard aan de grote achterstand die Brabant op de andere provincies had. Ook ten aanzien van de gepropageerde volkssoevereiniteit nam hij een genuanceerd standpunt in. Een voorstander van algemeen kiesrecht was hij niet, uit vrees dat de volkskeuze teveel zou worden bepaald door demagogie en kuiperijen.

Verhoysen is landelijk het meest bekend geworden inzake de restitutie van de kerkgebouwen aan de katholieken. Een uitvloeisel van de vrijheid en gelijkstelling van godsdiensten volgens de revolutionaire beginselen was de herverdeling van de kerkgebouwen, die immers na de Reformatie uitsluitend hadden mogen dienen voor de hervormde godsdienst. Als lid van het nationale parlement en als juridisch adviseur van diverse parochiebesturen heeft hij er voor gezorgd dat vele kerken in Brabant aan de katholieken werden teruggegeven.

Na 1801 taande de revolutionaire geest in ons land. Vele oude regenten konden hun posities weer innemen, omdat de nieuwkomers, veelal katholieken, toch te weinig bestuurlijke ervaring bleken te hebben. De katholieke politici werden achteruit gezet. Ook Verhoysen verdween tegen zijn zin uit de landelijke politiek. Men benoemde hem tot lid van het Departementaal Gerechtshof van Brabant te Breda, een functie die hij in 1804 verruilde voor het lidmaatschap van het Departementaal Bestuur van zijn gewest.

In 1806 leek het tij voor de katholieken te keren na de troonsbestijging van Lodewijk Napoleon als koning van het koninkrijk Holland. Deze broer en zetbaas van Napoleon omringde zich bij voorkeur met katholieke medewerkers. Hij benoemde de Eindhovenaar Jan van Hooff tot minister van Justitie en Politie, niet vanwege diens kennis op dit gebied - die bleek naderhand onvoldoende - maar omdat deze een trouw aanhanger was van het Franse regime. Van Hooff koos Verhoysen als zijn secretaris-generaal. In deze belangrijke functie fungeerde Verhoysen menigmaal als intermediair tussen de leiding van de katholieke kerk en de koning en zijn ministers. Zo verijdelde hij het plan van de koning om in navolging van zijn broer de Franse keizer, grote invloed uit te oefenen op de benoeming van de parochieherders.

Toch kon Verhoysen niet verhinderen dat het ministerschap van Van Hooff een faliekante mislukking werd. Zowel de impopulaire taken van het ministerie, het tegengaan van de smokkelhandel op Engeland en de perscensuur, als de tegenstand die zij van de Oranjegezinde en bestuurlijk meer ervaren Haagse ambtenaren ondervonden, waren hieraan debet. Voor Van Hooff en Verhoysen was daarbij bijzonder teleurstellend dat de koning steeds minder bereid bleek zijn geloofsgenoten in bescherming te nemen.

Niet lang nadat Van Hooff ontslag had genomen, trok ook Verhoysen zich terug. Hij zou tot 1810 ambteloos blijven. In dat jaar werd ons land bij Frankrijk ingelijfd en Verhoysen werd in een commissie benoemd die te Parijs met de Franse ministers deze inlijving moest voorbereiden. Nadien heeft hij geen belangrijke functies meer vervuld. Hij werd in 1811 verkozen tot lid van de Algemene Raad van het departement van de Monden van de Rijn, een eervolle maar onbeduidende functie. Tevens werd hij benoemd tot rechter van de nieuw op te richten Rechtbank van Eerste Aanleg te Eindhoven, maar in 1812 nam hij reeds ontslag.

Na het herstel van de onafhankelijkheid en tijdens de regering van koning Willem I stond Verhoysen politiek geheel langs de zijlijn. Hij ergerde zich aan het feit dat de niet-katholieken in Brabant zo nadrukkelijk in het openbare bestuur aanwezig waren en buiten verhouding veel ambten bezetten. Die kritiek was niet onterecht. De benoemingspolitiek van Willem I was voor een groot deel gericht op het belonen van de Oranjegetrouwen die met name in de periode 1795-1801 buitenspel hadden gestaan. En dat waren juist de voormalige hervormde regenten. Ook de belangrijke rol die de adel en voormalige eigenaren van de heerlijkheden weer in het openbare leven gingen spelen, zinde hem niet. Dat bleek in 1814 toen de voormalige heer van Helmond, de protestant C.F. Wesselman, bij de gouverneur van de provincie had bewerkstelligd dat Helmond van zijn stedelijke status werd beroofd. De stad zou daardoor geen eigen bestuur meer kennen maar geregeerd worden door de districtscommissaris. En in die functie was Wesselman benoemd. Tegen deze verkapte vorm van wat hij noemde 'seigneurisme' protesteerde Verhoysen, gesteund door vele notabele plaatselijke fabrikeurs en handelaren.

Het is niet verwonderlijk dat Verhoysen zich in die dagen politiek aansloot bij het kamp van de Brabantse tegenstanders van de politiek van Willem I, de anti-gouvernementele katholieken, waarvan de Bosschenaar Henri de Wijs de onbetwiste leider was. Tot deze groep behoorden ook de katholieke Brabantse Tweede-Kamerleden jhr. L.F.J.J.J. van Sasse van Ysselt en mr. J.L.A. Luyben. Vooral het voornemen van de koning om een Collegium Philosophicum te Leuven op te richten, een rijksschool voor de opleiding van katholieke geestelijken, en de bestaande klein-seminaries op te heffen zette kwaad bloed.

Zijn grote politieke betrokkenheid bracht Verhoysen ertoe om zich kandidaat te stellen voor het lidmaatschap van de Provinciale Staten. In 1822 moest hij eerst een nederlaag slikken in het kiesdistrict St.-Oedenrode, waar hij het aflegde tegen de regeringsgezinde burgemeester van Veghel, J.F. de Kuyper. Maar in 1826 bereikte hij dan toch de begeerde plaats, die hij tot zijn dood zou bezetten. Hij sloot zich in de Staten uiteraard aan bij de anti-gouvernementele fractie van De Wijs en was bovendien een van de drijvende krachten achter de zogeheten petitiebeweging die aan het einde van 1828 plaats vond en haar zwaartepunt had in België, waar ze zou leiden tot de opstand en afscheiding. Deze beweging drong aan op vrijheid van kerk en godsdienst, op vrijheid van onderwijs en van drukpers en op ministeriële verantwoordelijkheid. Helmond, de woonplaats van Verhoysen, was een van de eerste Noordbrabantse gemeenten die petitioneerde. Verhoysens ideaal, de staatkundige emancipatie van de katholieken, zou eerst na 1848 worden bereikt. Dat kwam voor hem te laat. Hij stierf, 77 jaar oud, na een ziekbed van enige weken op 23 februari 1835 in zijn kapitale woning aan de Markt van zijn geboorteplaats Helmond. In de Statenvergadering van dat jaar werd door de gouverneur Van den Bogaerde, anders dan gebruikelijk, zijn dood niet herdacht. Kennelijk was het gouvernement deze politieke luis in de pels weinig dank verschuldigd.


Bronnen

• M.W. van Boven, Mr Peter Verhoysen (1757-1835), een Helmondse advocaat in de politiek van zijn tijd, in: De Vlasbloem. Historisch jaarboek voor Helmond, XII, 1992, 87-110


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 1 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening,
Amsterdam/Meppel 1992).


Auteur: M.W. van Boven

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon