Matthijs Vermeulen (1888-1967)

componist en schrijver

Matthijs Vermeulen is de nom d'artiste van Mattheus Christianus Franciscus van der Meulen die op 8 februari 1888 in Helmond geboren werd als oudste zoon van Franciscus Jacobus van der Meulen en Maria Adriana Wonderval. Hij huwde op 21 maart 1918 met Anny Wilhelmine Celestine van Hengst. Zij kregen vier kinderen. Na haar overlijden hertrouwde Vermeulen op 8 augustus 1946 met Dorothea Anna Maria Diepenbrock. Uit dit huwelijk werd een dochter geboren, Odilia Maria Joanna. Matthijs Vermeulen stierf op 26 juli 1967 in Laren.

Matthijs Vermeulen groeide op in Helmond, waar zijn vader smid was. Zijn passie voor muziek openbaarde zich op zijn veertiende tijdens de gymnasiumopleiding aan het seminarie te Heeswijk, waar hij vervolgens werd ingewijd in de techniek van de zestiende-eeuwse componisten en pianoles kreeg. Een verblijf aan een jezuïeteninternaat in België in de jaren 1904-1905 verschafte hem een grondige scholing in de klassieke schrijvers en een vloeiende beheersing van de Franse taal. Nadat hij het plan om priester te worden had laten varen, trok Vermeulen in 1907 naar Amsterdam om zijn eerste compositieproeven voor te leggen aan de directeur van het conservatorium, Daniël de Lange, van wie hij gedurende twee jaar les kreeg.

Op 21-jarige leeftijd werd Matthijs Vermeulen criticus van het dagblad De Tijd; kort daarna tevens van het progressieve weekblad De Amsterdammer. In die tijd maakte hij kennis met de vooraanstaande componist en classicus Alphons Diepenbrock (1862-1921), die zijn mentor werd en voor de ontwikkeling van zijn gedachtegoed van grote betekenis is geweest. Vooral in Vermeulens behandeling van de antithese tussen de zogenaamde Germaanse en de Latijnse geest in de kunsten is Diepenbrocks invloed merkbaar. Als pleitbezorger van de nieuwe Franse muziek ging Vermeulen de confrontatie aan met Willem Mengelberg, die hij als dirigent hoog schatte maar als muzikaal leider van de belangrijkste concertinstelling van het land, het Concertgebouworkest, tekort vond schieten wegens zijn eenzijdige gerichtheid op de Duitse muziekcultuur. Dat deze kritiek hem niet in dank werd afgenomen, bleek toen Mengelberg weigerde een uitvoering van Vermeulens Eerste Symfonie, een werk dat hem gezien de melodische rijkdom en het vitale karakter zeer gelegen zou zijn, zelfs maar in overweging te nemen.

In 1915 werd Vermeulen hoofd van de kunstredactie aan De Telegraaf. In de kolommen van dat dagblad nam hij stelling tegen de Duitse oorlogspolitiek. Vermeulens engagement komt ook naar voren in de tekstkeuze van zijn liederen uit 1917, waaronder het dramatische La Veille. Kort na zijn huwelijk in 1918 componeerde Vermeulen de Eerste Cellosonate, een meesterwerk waarmee hij het gebied van de zogeheten vrije atonaliteit verkende. In 1920, een jaar nadat hij was begonnen aan de revolutionaire Tweede Symfonie, die vol gewaagde experimenten zat, gaf hij zijn journalistenbaan op om zich - financieel gesteund door vrienden - geheel aan het componeren te gaan wijden. Na een laatste, vergeefs beroep op Mengelberg trok Vermeulen in 1921 met zijn gezin naar Frankrijk in de hoop daar een geschikter klimaat voor zijn muziek te vinden. In La Celle-St. Cloud, gelegen dichtbij Parijs, voltooide hij zijn Derde Symfonie, een werk van lange spanningsbogen in een hechte architectonische samenhang. Verder componeerde hij het lyrische, voornamelijk op canontechniek gebaseerde Strijktrio en de Vioolsonate, die een grote virtuositeit van violist en pianist vereist.

Van een doorbraak was evenwel geen sprake. Ondanks de inspanningen van een aantal geïnteresseerden kwam het niet tot uitvoering van een van zijn symfonieën; slechts enkele kamermuziekwerken werden gespeeld. Noodgedwongen keerde Vermeulen naar de journalistiek terug en werd in 1926 algemeen correspondent van het Soerabaiasch Handelsblad. Gedurende veertien jaar zou hij wekelijks twee briljant geschreven 'Parijsche Brieven' leveren over de meest uiteenlopende onderwerpen. Vanuit Nederland kreeg hij in 1930 de opdracht tot het maken van de muziek bij het openluchtspel De Vliegende Hollander van Martinus Nijhoff. Daarna componeerde hij, gedeprimeerd over zijn uitzichtloze situatie, lange tijd niet, tot hij in 1937 de draad oppakte van de Tweede Cellosonate, die hij tien jaar eerder halverwege had laten liggen.

Van vitaal belang voor Vermeulen was de première van zijn Derde Symfonie in 1939 in Amsterdam, uitgevoerd door het Concertgebouworkest onder leiding van Eduard van Beinum. De uitvoering leverde hem het bewijs van de werkzaamheid van zijn concepten. In de jaren 1940-1945 ontstonden zijn Vierde en Vijfde Symfonie, waarvan de titels Les Victoires en Les lendemains chantants Vermeulens vertrouwen in de goede afloop van de oorlog symboliseren. Beide werken zijn hoogtepunten in de twintigste-eeuwse orkestliteratuur.

In het najaar van 1944 ontvielen Vermeulen kort na elkaar zijn vrouw en zijn meest geliefde zoon die sneuvelde in het Franse bevrijdingsleger. Het later gepubliceerde dagboek Het enige hart geeft een aangrijpend relaas van het rouwproces. Zoekend naar de zin van dit verlies kwam Vermeulen tot een filosofisch bouwwerk, dat hij verder uitwerkte in zijn boek Het Avontuur van den Geest. Daarin deduceert hij een scheppend beginsel achter alle verschijningsvormen van materie en leven en tracht hij zijn lezers van het bestaan van de 'Scheppende Geest' te overtuigen om hen zodoende bewust te maken van de verantwoordelijkheid die de mens heeft voor de toekomst van de aarde. Met dit op logische redenering gestoelde credo hoopte Vermeulen een tegenhanger te bieden van het existentialisme. In hetzelfde kader passen Vermeulens felle protesten in de jaren '50 tegen de nucleaire bewapeningswedloop.

In 1946 hertrouwde Vermeulen met Thea Diepenbrock, dochter van zijn vroegere mentor, en keerde naar Nederland terug, waar hij tien jaar voor het weekblad De Groene Amsterdammer zou gaan werken. Zijn artikelen over muziek - gebundeld in De muziek dat wonder - behoren, ook internationaal beschouwd, tot de meeslependste op dat gebied geschreven. In 1949 gingen Vermeulens Vierde en Vijfde Symfonie in première. De uitvoering van de Tweede Symfonie - eerder bekroond op het Reine Elisabeth Concours in 1953 - tijdens het Holland Festival 1956 gaf de aanzet tot een nieuwe periode van creativiteit, waarin hij de Zesde Symfonie componeerde. Dit werk is gebaseerd op het motief 'la-do-re', dat op z'n Frans uitgesproken naar adoratie, aanbidding van het leven en de liefde verwijst. Andere stukken uit deze periode zijn liederen als de Trois chants d'amour en het Strijkkwartet. Zijn laatste werk, de Zevende Symfonie, spreekt met de titel Dithyrambes pour les temps à venir - er komen veel dynamische soli voor blazers in voor - van een ongeknakt optimisme. Matthijs Vermeulen stierf op 26 juli 1967.

Na lange tijd voornamelijk om zijn literaire kwaliteiten te zijn geroemd, geldt Vermeulen thans als een componist van grote, internationale betekenis en als de belangrijkste symfonicus van ons land. In zijn werken, die een nieuw melodietype laten horen in een kunstige, harmonisch-rijke polyfone verweving, gaan overweldigende kracht en vitaliteit gepaard aan tederheid en lyriek. Met zijn composities wilde Vermeulen getuigen van een positieve levenshouding.


Bronnen

• T. Braas, Door het geweld van zijn verlangen. Een biografie van Matthijs Vermeulen, Amsterdam 1997
• T. Braas, De symfonieën en de kamermuziek van Matthijs Vermeulen. Poëtica en compositie (dissertatie Universiteit Utrecht), Amsterdam 1997
• Chr. van der Meulen, Matthijs Vermeulen. Zijn leven, zijn muziek, zijn proza, Nieuwkoop 1982
• L. Samama, 'Vermeulen, Pijper en Escher. Drie erflaters in de muziek van de twintigste eeuw: drie vrienden', in: Erflaters van de twintigste eeuw, Amsterdam 1991, 264 e.v.
• Matthijs Vermeulen, Het enige hart (dagboek 1 september 1944 - 1 september 1945), Amsterdam 1991
• Matthijs Vermeulen, Mijn geluk, mijn liefde (brieven aan Thea Diepenbrock 26 mei 1945 - 12 juli 1946), Amsterdam 1995


Dit artikel verscheen eerder in: P. Timmermans e.a. (red.), 
Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 5 (Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Heeswijk 1999).


Auteur: Ton Braas

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon