Jan Verwiel (1890-1952)

burgemeester van Oisterwijk

Johannes Jacobus Linus Maria Verwiel werd geboren op 23 september 1890 te Besoijen als oudste zoon van Cornelis Gerardus Verwiel en Josephine Margaretha Biegnolé. Zijn moeder overleed reeds in 1895, waarna zijn vader een jaar later hertrouwde. Jan Verwiel huwde op 3 mei 1922 Maria Philomena Huberdina Pluijmaekers met wie hij zes kinderen kreeg. Hij overleed te 's-Gravenhage op 30 juni 1952.

Vanaf 1865 was het burgemeestersambt van Besoijen in handen van de familie Verwiel. Toen Jan Verwiel zijn schooltijd doorbracht op het internaat De Ruwenberg in Sint-Michielsgestel regeerde zijn vader over het dorp in de Langstraat en deze had het ambt weer overgenomen van zijn vader. In 1905 werd Jan Verwiel voluntair op de Besoijense gemeentesecretarie. Hier bereidde hij zich met succes voor op allerlei ambtelijke examens. Werkervaring in een grote industriële stad deed hij op in Enschede. Na een functie bij de provinciale griffie van Noord-Brabant werd hij in 1916 gemeentesecretaris van Besoijen en een jaar later burgemeester. Maar zijn aspiraties gingen verder. Zo werd hij - als katholiek! - bestuurslid van de neutrale 'Nederlandsche Bond van Gemeente Ambtenaren' en gaf hij jarenlang in 's-Hertogenbosch onderwijs aan aankomende ambtenaren.

Zodra bekend werd dat Besoijen per 1 januari 1922 op zou gaan in de gemeente Waalwijk solliciteerde Verwiel naar de toen juist vrijgekomen burgemeesterspost in Oisterwijk. Hij kreeg de voorkeur boven onder andere een voorman van de Noordbrabantsche Christelijke Boerenbond en boven de oude Oisterwijkse gemeentesecretaris M.G. Canters. Het agrarisch-ambachtelijke Oisterwijk stond op het punt zich te ontwikkelen tot een toeristische en geïndustrialiseerde samenleving. En daarom zal door Den Haag veel waarde zijn gehecht aan een jong en modern opgeleid bestuurder, afkomstig uit een familie van fabrikanten en handelaren in leer.

Bij zijn installatie op 25 januari 1922 hield Verwiel de Oisterwijkse raadsleden voor dat zij een 'schoone, vooruitstrevende gemeente' te besturen hadden. Hij beschouwde het als zijn opdracht de gemeentesecretarie dusdanig te reorganiseren dat deze beter zou aansluiten bij de dragers van Oisterwijks welvaart: het vreemdelingenverkeer en de industrie. Al na een maand kwam hij tot de conclusie dat de gemeentesecretaris het werk 'op z'n Brabants' verrichtte. De secretarie was in Verwiels ogen een janboel, de schrijfmachines konden slechts gebruikt worden door met een potlood de diep verankerde toetsen in te drukken. Een jonge voluntair, die Verwiel zelf in Besoijen had opgeleid, moest orde op zaken stellen. Ondertussen ontdeed Verwiel zich van gemeentesecretaris Canters op een weinig verheffende manier. Canters ontving de mededeling dat in zijn secretarielade gevonden waren 'een achttal phornografische voorstellingen op ansichten en zeven foto's van een naakte vrouw, waarvan zes vermoedelijk Uwe echtgenoote en eene onbekende vrouw voorstellen'. Daarnaast zou de secretaris slordig zijn omgegaan met gemeentegelden en er een geheime kas op nagehouden hebben, waaruit een beha voor zijn secretaresse betaald was. Exit Canters dus, die vervolgens niet naliet om te trachten als vertegenwoordiger van een R.K. Bezuinigingspartij in de Oisterwijkse gemeenteraad de burgemeester het leven zuur te maken. Steun kreeg Verwiel voor zijn 'bestuur met de bezem' vooral van buitenstaanders zoals de journalist A.J. Zoetmulder, die vanuit Oisterwijk het blad Brabants Centrum uitgaf. Zoetmulder verweet de Oisterwijkse gemeenschap het moderne bestuur van Verwiel tegen te werken om zo de 'minder frissche geur' van het volgzame en weinig initiatiefrijke oude gemeentebestuur met de mantel der liefde te bedekken.

Verwiels voortvarende modernisering, over de ruggen van degenen die al tientallen jaren in Oisterwijk aan de touwtjes trokken, leidde tot toenemende onvrede en onrust. Na een hetze van kapelaan J. Litjens tegen de jonge, door Verwiel aangetrokken voluntair, die protestant en anarchist bleek, voelde de burgemeester zich genoodzaakt om in 1924 zijn steunpilaar op de gemeentesecretarie ontslag te geven. Ook Zoetmulder werd het slachtoffer van de moderniseringsangst. Kapelaan Litjens beschuldigde Zoetmulder en zijn vrouw ervan hun kinderen niet naar een katholieke school te sturen, ze te modern te kleden en van het vertonen van 'onzedelijke' films en schilderijen. Dat was voldoende om Zoetmulder te laten afreizen naar Eindhoven.

In 1926 bruskeerde Verwiel traditioneel Oisterwijk door de opening te verrichten van een kunstexpositie in het dorp waar werken tentoongesteld werden van Zadkine, Picasso, Mondriaan, Charley Toorop en uitdrukkelijk sociaal geëngageerde kunstenaars zoals Chris Beekman, Peter Alma en Diego Rivera. Diplomatiek stelde Verwiel dat de werken zijn voorstelling van de schilderkunst te boven gingen, maar dat hij wel hoopte dat de tentoonstelling zou bijdragen aan de groei van het vreemdelingenverkeer.

Met datzelfde argument accepteerde Verwiel lange tijd dat de Oisterwijkse zwemvereniging als de enige in de omtrek een gemengd bad exploiteerde. Maar het katholieke offensief in de jaren dertig tegen 'zedenverwildering' noopte tot maatregelen. Er kwam een afscheiding tussen het heren-, dames- en gemengde bad en tevens moest Verwiel na een persoonlijk bezoek in 1933 toegeven dat er sprake was van verboden gemengd zonnebaden op het eilandje in het ven, in die mate zelfs dat 'er geen eilandje meer te zien was'. De Maasbode noemde het schande dat in een katholiek dorp niet-katholieken het bestuur van de zwemclub overheersten. De gastvrijheid van de burgemeester jegens vreemdelingen leidde er volgens de krant toe dat er te kritiekloos gereageerd werd op wat van buiten kwam. Het plaatselijke blad Kerkklokje deed er nog een schepje bovenop door de gelovigen op te roepen de bossen 'te zuiveren van 't rapaille, dat, van elders komend, hier zijn hartstochten den vrijen teugel viert'. Verwiel toonde zich andermaal de diplomaat zelve. Hij legde niet het vreemdelingenverkeer aan banden, maar slechts enkele extreme uitingen daarvan, zoals het door hem als 'absoluut communistisch' betitelde arbeidersvakantiekamp Morgenrood. Tegelijkertijd ijverde hij echter met succes voor een openluchttheater en hield hij persoonlijk een radiopraatje voor luisteraars in Nederlands-Indië waarin hij reclame maakte voor 'de kleine Parel van Noord-Brabant'.

Tijdens Verwiels ambtsperiode kwamen een gemeentelijk drinkwaterleidingbedrijf, een elektriciteitsvoorziening, ruilverkavelingen en verbetering van wegdek en riolering tot stand. Maar de modernisering bleek niet voor iedereen een weldaad. Bij boeren, middenstanders en bij grote groepen arbeiders bleef er een hang naar de periode vóór Verwiel waarin het allemaal beter geweest zou zijn. Deze onvrede uitte zich politiek in de jaren dertig in lokaal patriottisme waarvan Zwart Front de bekendste loot was.

In 1932 schreef De Tilburgsche Post over 'wantoestanden in Oisterwijk', waarbij gedoeld werd op de te duur geachte verbouwing van het raadhuis, de aankoop van een burgemeesterswoning en het aantrekken van extra ambtenaren. Verwiel voelde zich een vooruitgeschoven post van het moderne overheidsbeleid in een nog duister gebied. Het moet hem dan ook pijn hebben gedaan toen de commissaris van de koningin hem opriep tot terughoudendheid bij het verbieden van bijeenkomsten van Zwart Front. Vanuit het hoofdkwartier van Zwart Front verscheen een anonieme brochure, gericht tegen de burgemeester, waarin zijn 'systeem der ambtenarij' nadelig werd genoemd voor Oisterwijkse verenigingen en middenstanders. Zelfs in het aanplantbeleid met betrekking tot het bosgebied ontwaarde de brochureschrijver een gevaar: 'Alle nieuwe bomen worden netjes in een rijtje gezet, terwijl het 'natuurlijke' van Oisterwijks bosschen (...) meer en meer wordt teniet gedaan'.

Verwiel deed zijn uiterste best om er voor te zorgen dat alle natuurgebieden in de omgeving onder zijn bestuur zouden vallen. Eind 1937 slaagde hij erin om grondgebied van de gemeente Haaren in te lijven. Vervolgens leek hetzelfde te gebeuren met natuurgebieden van Berkel-Enschot. Met behulp van de geestelijkheid en RKSP-leider F. Teulings wist echter het Berkel-Enschotse gemeentebestuur de voornemens van het Rijk tegen te houden.

Toen de Duitsers in 1940 Nederland bezetten, maakte Verwiel zich grote zorgen. Als modern bestuurder had hij zich niet geliefd gemaakt en hij vreesde rancunemaatregelen. De Oisterwijkse NSB-kringleider noemde Verwiel een 'Streber', die van het landelijke dorp een stad trachtte te maken volgestort met asfalt. De grondwaterputten konden in Oisterwijk niet meer gebruikt worden, zo stelde hij, vanwege bodemverontreiniging door de joodse lederfabriek en daarom zat Oisterwijk opgezadeld met een duur waterleidingbedrijf. Verwiel realiseerde zich dat dergelijke kritiek in oorlogsjaren levensbedreigend kon zijn en koos ervoor een voorzichtig beleid te voeren. Hij stak zijn nek slechts uit toen het erom ging Oisterwijkse jongens te vrijwaren voor de Arbeidsdienst. Groot was zijn teleurstelling toen uitgerekend enkele van die jongens hem na de oorlog aanklaagden bij het Militair Gezag. In hun ogen bleef hij een regent; zij noemden hem zelfs een 'Mussolini in zakformaat'. Maar door de commissaris der koningin en de minister werd Verwiel van alle blaam gezuiverd.

Verwiel wenste orde en rust die hem voor de uitvoering van de naoorlogse wederopbouw noodzakelijk leken. In commissaris van de koningin Jan de Quay vond hij een medestander van formaat. Het was De Quay die op 21 januari 1947 hoogstpersoonlijk Verwiel bij zijn 25-jarig ambtsjubileum bevorderde tot officier in de orde van Oranje-Nassau en hem prees als een der beste burgemeesters uit het gewest. Het zal Verwiel deugd hebben gedaan. Hij was wars van populisme en wilde te boek staan als modern bestuurder. Daarom zocht hij zijn contacten vooral buiten de Oisterwijkse gemeenschap. In dat kader was hij bestuurslid van de Nederlandse Vereniging voor Gemeentebelangen, het Instituut voor Bestuurswetenschappen van de VNG en van de stichting Het Brabants Landschap. Ook bleef hij examens voor gemeente-administratie bijwonen. Die in Den Haag op 30 juni 1952 zouden de laatste zijn: Verwiel overleed na afloop plotseling aan een hartaanval. Gewaardeerd in bestuurderskringen bleef hij omstreden in het dorp waar hij dertig jaar burgemeester was. Grote delen van Oisterwijk die zich materieel of mentaal moeilijk konden voegen in de modernisering bleven waarde hechten aan wat Verwiels vader ooit over zijn zoon gezegd zou hebben: 'Onze Jan moest wat méér burgervader en wat minder burgemeester zijn'.


Bronnen

• A. van den Oord, 'De lotgevallen van Jantje Verwiel. Of hoe een modern bestuurder klem raakte in de nog overwegend traditioneel denkende Oisterwijkse gemeenschap rondom de Tweede Wereldoorlog', De Kleine Meijerij 46 (1995), 107-130


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 4 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening,
Amsterdam/Meppel 1996).


Auteur: A.Th.W. van den Oord

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon