Toon Weijnen (1909-2008)

Neerlandicus en dialectoloog

Antonius Angelus Weijnen werd geboren op 28 december 1909 in het West-Brabantse Fijnaart als oudste zoon van Petrus Jacobus Franciscus (Piet) Weijnen, afkomstig uit het Zeeuws-Vlaamse Hoofdplaat en Wilhelmina Jacoba Cornelia (Mien) Stoop uit het West-Brabantse Wagenberg. Zijn vader was hoofdonderwijzer van de katholieke lagere school van Fijnaart en was een man van gezag in het half hervormde, half katholieke dorp tussen het Hollands en het Brabants dialect in. Weijnen had een bijzondere waardering voor zijn vader en was hem ook schatplichtig voor meer dan één karakteristiek van zijn persoonlijkheid. Niet alleen zijn hart voor het onderwijs, maar ook het robuuste en lang vastgehouden orthodox-katholieke, dat hem zo kenmerkte, was er één van. Later werd hij wel wat milder in de pauselijke kleuren, maar een vroom en gelovig man is hij zijn gehele leven gebleven.

In het huis van de hoofdonderwijzer werd, zoals toen al gebruikelijk in de upper middle-class van het dorp, geen dialect gesproken. Natuurlijk heeft ook hij het Westhoeks van zijn schoolkameraadjes geleerd en met hen gesproken, maar een dialectspreker is hij nooit geweest. Zijn kinderen waren dan ook zeer verbaasd dat hij, toen zijn spraak was uitgevallen na het herseninfarct enkele dagen voor zijn dood, opeens tussen veel onverstaanbaars door een keer heel duidelijk “houdoe” zei. Zijn dialect zat in een heel diepe laag.

Na de lagere school van zijn vader doorliep Weijnen het gymnasium in Rolduc, waar hij in 1927 eindexamen deed. De abdij van Rolduc was toentertijd het centrum bij uitstek voor het katholieke middelbare onderwijs van Nederland en bevond zich in het snijpunt van de Nederlandse, Duitse en Franse cultuur. Weijnen bleef tot op hoge leeftijd een trouw bezoeker van de jaarlijkse reünies van Rolduc.

In 1927 gaat Toon Weijnen, nog geen 18 jaar oud, Nederlandse taal- en letterkunde studeren aan de vier jaar eerder opgerichte Rooms Katholieke Universiteit in Nijmegen. De (gehele) Nederlandse taal- en letterkunde was in handen van Jacques van Ginneken s.j. Van Ginneken was een begeesterd en begeesterend docent, meer taal- dan letterkundig bevlogen – maar dat zal Weijnen, die immers geen stylist is, niet hebben gestoord – en hij droeg zijn gedrevenheid over op de bovengemiddeld geïnteresseerde student. In de Inleiding van zijn in 1941 verschenen De Nederlandse Dialecten beschrijft Weijnen hoe hij onder bekoring is geraakt van de “oorspronkelijkheid, de felle raakheid, de beeldende directe aanschouwelijkheid die de volkstaal kenmerkt”. Het is alsof Van Ginneken aan het woord is.

In maart 1934 legt Weijnen zijn doctoraal Nederlands cum laude af en vertrekt uit Nijmegen. Er is op het hoogtepunt van de economische crisis van die dagen amper een baan te krijgen en hij keert terug naar Fijnaart, om vandaar zijn veldonderzoek in Noord-Brabant uit te breiden en aan zijn proefschrift te werken. Weijnen begint zijn lange loopbaan in het onderwijs als onbezoldigd hospitant aan het Norbertuslyceum in Roosendaal; per 1 september 1935 wordt hij er benoemd als leraar Nederlands en geschiedenis. Dan verschijnen ook de eerste artikelen van zijn hand, voornamelijk in Onze Taaltuin, het tijdschrift dat Van Ginneken in 1932 oprichtte.

Op 8 juli 1937 verdedigt hij zijn proefschrift bij Van Ginneken. De titel staat voor een onderzoeksprogramma dat hem meer dan zestig jaar zal blijven boeien: Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant, in aansluiting aan geographie, geschiedenis en volksleven. In 1999 verschijnt Oude woordlagen in de zuidelijk-centrale dialecten (Amsterdam) en meteen in de eerste zin van het voorwoord trekt hij de lijn van zijn dissertatie als één grote spanningsboog tot in deze, bijna laatste, publicatie door. Nog geen maand na de verdediging van zijn proefschrift, op 3 augustus 1937, treedt hij in het huwelijk met Maria Hoefnagels; ze kregen vijf kinderen, waarvan jongste vroeg overleed.

De vijf hierop volgende jaren, tot aan de gijzelname in juli 1942, zijn buitengewoon productief. Twee boeken (Betekenis en mogelijkheden der heemtaalkunde en De Nederlandse Dialecten) en een zestigtal artikelen, waaronder veel besprekingen van dialectologisch werk uit het gehele Nederlandse taalgebied, zien het licht. Ruim vijf maanden wordt hij vastgehouden in Haaren. Hoewel de gijzelaars een zekere mate van vrijheid genoten om hun tijd te besteden, leefden ze toch in voortdurende angst. In augustus 1942 werden immers vijf van hen, onder wie twee uit Haaren, in de bossen bij Goirle gefusilleerd als represaille voor de aanslag op een militaire trein in Rotterdam. In december 1942 keert Weijnen terug naar Roosendaal en als hij in 1943 opnieuw gegijzeld dreigt te worden, duikt hij onder.

Nog in 1945 wordt Weijnen benoemd tot rector van het Norbertuslyceum in Roosendaal. En van 1946 tot zijn benoeming in Nijmegen in 1958 is hij vast docent Nederlands aan de Katholieke Leergangen in Tilburg, vanaf 1956 als rector. Onderwijs was zijn hartstocht, die hij in de jaren van de Leergangen volop kon laten bloeien, maar het hindert hem niet zijn onderzoek verder voort te zetten. De twee aandachtsvelden horen voor hem bij elkaar en vullen elkaar aan. In deze jaren verschijnen van zijn hand typische onderwijsboeken zoals De kunst van het vertalen. Beginselleer (1946), Zeventiende-eeuwse taal (1952) en Bloemlezing van zestiende-eeuwse taal (1960), maar ook specialistische en samenvattende studies zoals de monografie Studies over het Achthuizens Dialect (1946) en De dialecten van Noord-Brabant (1952).

In deze jaren ook stelt hij het Prisma Nederlands woordenboek samen, waarvan de eerste druk in 1955 uitkomt. In 1952 ontstaat bij uitgeverij Het Spectrum het plan een serie pocketwoordenboeken uit te geven: de Prisma woordenboekenreeks. Weijnen wordt aangezocht om het vlaggenschip op zich te nemen, het Nederlands woordenboek. Dertien maanden na het ondertekenen van het contract is de tekst gereed, die nog vlak voor de druk wordt omgezet in de nieuwe spelling die in 1955 van kracht wordt. De serie Prisma woordenboeken is een successtory; de deeltjes moesten een omvang krijgen van 320 bladzijden, ongeveer 30.000 ingangen hebben en een vaste prijs van (in 1955) 1,25 gulden. Ontelbare leerlingen van middelbare scholen maakten via Weijnen en zijn woordenboek kennis met de lexicografie. Vijftig jaar later, in 2005, verschijnt de 40ste herziene druk, die hij samen met zijn dochter Mira bezorgt. Daarna nemen anderen de eindredactie over.

In de Tilburgse jaren schrijft hij ook aan zijn opus magnum Nederlandse Dialectkunde (1958 en 1966), het gezaghebbende handboek op dit terrein. Eerder dan een bedaagd en met afstand geschreven overzicht van het vakgebied, is het de rapportage van al wat er aan kennis was en wordt vergaard over de Nederlandse dialecten, met telkens weer onvermoede dwarsverbanden en verklaringen van overeenkomsten en verschillen tussen de taallandschappen.

Per 1 september 1958 wordt Weijnen benoemd als gewoon hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, met als leeropdracht: “Nederlandse en Indogermaanse taalkunde”, later uitgebreid tot: “Algemene, interlinguale en Nederlandse dialectkunde, alsmede de vergelijkende Indo-europese taalwetenschap”. De eerste tien jaar van zijn hoogleraarschap verliepen in de serene rust van de nog kleine rimpelloze universitaire gemeenschap, waarin alleen de hoogleraren de dienst uitmaakten. Naast het onderwijs dat hij met verve gaf en tot zijn emeritaat zou blijven geven, begon hij meteen na zijn aantreden met de uitwerking van zijn al onder van Ginneken opgevat plan voor een systematisch woordenboek van de Brabantse dialecten: niet een alfabetisch geordend woordenboek van dialectvormen gevolgd door hun betekenissen, maar – en dit was een novum – een ideologische groepering van begrippen uit de leefwereld van de dialectspreker, waaraan de geografisch uiteenliggende woordvormen worden opgehangen, zeer vaak van een taalkaart voorzien. Zo kon de gehele landbouwwoordenschat systematisch worden besproken, en de vaktalen en ten slotte ook de algemene woordenschat.

Twee jaar later wordt de aanloop van een gelijksoortig woordenboek voor de Limburgse dialecten aangevangen en voorbereidingen getroffen de inrichting van een eigen instituut, de Nijmeegse Centrale voor Dialect- en Naamkunde (NCDN). Begonnen als het bijeenzetten van een plank boeken uit de instituutsbibliotheek op een stafkamer en als een naam onder vragenlijsten in Brabantia Nostra, ontwikkelde de NCDN zich al snel tot een instituut waar een grote schare student-assistenten werkte aan de voorbereiding van het Woordenboek van de Brabantse Dialecten en aan het Woordenboek van de Limburgse Dialecten. Op deze beschutte plek kon Weijnen zich geheel wijden aan de twee woordenboeken en de Atlas Linguarum Europae, die hij in 1969 opzette om de substraattheorie van Van Ginneken te testen.

In 2005 wordt het Woordenboek van de Brabantse Dialecten feestelijk afgesloten, in bijzijn van Weijnen en van Van Bakel, 33 afleveringen groot, een monument voor de Brabantse dialectologie en voor de Nederlandse taalkunde. In 2008, vier maanden na zijn dood, wordt ook het Woordenboek van de Limburgse Dialecten afgesloten in de Statenzaal van het Gouvernement van Maastricht, 39 afleveringen lang, niet minder monumentaal dan het WBD.

Intussen verschijnen, naast de afleveringen van WBD en WLD en de inleidende delen van de ALE, met een haast ijzeren regelmaat boeken op het gebied van de Nederlandse taalkunde en de Europese dialectologie. In 1968 komt Het Schema van de klankwetten uit (Assen; tweede herziene druk in 1970); in 1971 verschijnen na elkaar De oorzaken in de taalgeschiedenis en Schets van de geschiedenis van de Nederlandse syntaxis (beide in Assen) en in 1974 Het Algemeen beschaafd Nederlands historisch beschouwd (Assen). In 1978 zet hij zijn opvattingen en verwachtingen voor de dialectologie die de taalgrenzen overschrijdt uiteen in Outlines for an interlingual European Dialectology (Assen).

Negentien promoti begeleidde hij bij hun onderzoek op het gebied van de Nederlandse historische taalkunde en Nederlandse en Europese dialectologie. Toen hij negentig werd, gaven zij gezamenlijk een feestbundel voor hem uit: Weijnen Tnegentig met knipoog naar een van zijn taalkaarten van het Nederlands taalgebied.

In 1989 overlijdt zijn echtgenote Maria Weijnen-Hoefnagels. De slag valt hem zwaar en even ziet het naar uit dat hij deze niet te boven komt. Maria was hem niet alleen bij het onderhouden van zijn vriendschappen, maar ook als gesprekspartner over vakkwesties en op zijn vele reizen voor de ALE, zeer nabij en een uitstekende gids. Toch heeft hij op zijn tachtigste de veerkracht de dagelijkse draad op te nemen met de hulp van zijn kinderen en goede vrienden. Hij neemt waar hij kan de rol van zijn vrouw over en betoont zich een ondernemend grootvader en overgrootvader. En hij hervindt ook weer het oude werkritme. Er verschijnen nog enkele nieuwe boektitels waaronder het Etymologisch dialectwoordenboek (1996 en de tweede vermeerderde druk in 2003). Verder verschijnen in deze periode nog: Vergelijkende klankleer van de Nederlandse dialecten, in 1991 (’s-Gravenhage) en in 1995, (met Mira Ficq-Weijnen) Ziektenamen in de Nederlandse dialecten (’s-Gravenhage).

Pas op zeer hoge leeftijd gaat het wat minder goed met zijn gezondheid. Zijn ogen laten hem in de steek, hij kan nog amper lezen en het alleen-zijn begint hem, op zijn zevenennegentigste, zwaar te wegen. In het najaar van 2007 verhuist hij van zijn vertrouwde woning aan de Merellaan in Malden naar het zorgcentrum Malderburch, een hanenschree verder. De nadagen van zijn laatste winter zien hem zienderogen achteruit gaan. Op 9 februari 2008 overlijdt hij.

Toon Weijnen heeft in de taalwetenschap nooit op de barricades gestaan. Hij was in de taaltheorie gevormd door Van Ginneken en bleef trouw aan de zekerheid die diens structuralistische beschouwingswijze en de wisselwerking tussen interne en externe factoren in de taalverandering hem boden. Hij had bij Van Ginneken ongetwijfeld de verlokkingen van het visionaire gezien en heeft van hem de nieuwsgierigheid naar nieuwe ontwikkelingen en verre landschappen overgehouden, maar had een nuchterder geest, zocht eerst naar de vaste grond onder zijn voeten en zou dan wel zien hoever zijn blik zou reiken.

Weijnen was zijn hele leven lang naarstig en alsof hij enigszins haast had, op zoek naar de allesomvattende synthese, naar “een alle Nederlandse taalfeiten omvattend raamwerk dat een logisch geheel vormt en een bevredigende verklaring brengt van alle delen.” (zoals Jan van Bakel hem in 1969 typeerde). Hij overzag als geen ander de onafzienbare akker aan taalfeiten die hij wilde bewerken en waarvan hij wilde oogsten: vertrekkend vanuit het Brabants ging hij naar het Nederlands en kwam uit bij de grenzen van Europa. Zo ver kwam zijn blik.

Weijnen was ook de onvermoeibaar noeste werker die zijn talenten wilde ontplooien, lichtelijk monomaan misschien, maar verstandig genoeg dat te weten en te compenseren door een groot netwerk van collega’s, leerlingen en vrienden dat hij koesterde. Hij kon streng en strijdbaar zijn, zeker als het over op twijfel veroverde overtuigingen ging die hij niet zou laten varen, maar tegelijk ook mild in zijn oordeel, onuitputtelijk belangstellend voor zijn directe omgeving: een hartelijk en beminnelijk man.


Bronnen
• Bakel, Jan van (1969), ‘Op Toon’, in: Taal en Tongval 21 [speciaal nummer bij de zestigste verjaardag van Prof. dr. A.A. Weijnen], 101-103.
• Pée, Willem (1980), ‘Biografie van Prof. dr. A. Weijnen’ in: Joep Kruijsen (red.) Liber Amicorum Weijnen. Een bundel opstellen aangeboden aan prof. dr. A. Weijnen bij zijn zeventigste verjaardag. Assen, 1-7.
• In Memoriams van Pieter Muysken en Joep Kruijsen (KNAW Levensberichten 2009), Piet van Sterkenburg (Jaarboek Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2009) en Joep Kruijsen (Faculteit Letteren RU, dialect.ruhosting.nl/weijnen).


Auteur: Joep Kruijsen

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon