Jan Wellen (1920-1984)

landbouwkundige en bestuurder

Johannes Wilhelmus Wellen werd op 8 april 1920 geboren te Neerbosch, gemeente Nijmegen, als zoon van Henricus Matheus Wellen en Anna Maria Vergeest. Op 13 juli 1951 trouwde hij met Anna Marina Francina van Haaren. Uit hun huwelijk werden zeven kinderen geboren. Hij overleed 20 mei 1984 te Vught.

Vader Wellen had aanvankelijk een boerenbedrijf, maar werd later ambtelijk secretaris van het polderschap Nijmegen. Tevens was hij actief als bestuurder binnen de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond (NCB), de katholieke standsorganisatie van boeren en tuinders in Noord-Brabant, de regio Nijmegen en Zeeland.

Zoon Jan studeerde akkerbouw en veehouderij aan de Landbouwhogeschool in Wageningen. Hij weigerde in 1943 de loyaliteitsverklaring te tekenen die de Duitse bezetter van de Nederlandse studenten eiste en dook onder bij een oom in Neerbosch waar hij anderhalf jaar op de boerderij werkte. In 1947 studeerde hij af als landbouwkundig ingenieur. Nog voor zijn afstuderen was hij in dienst gekomen van de NCB. Als consulent voor de Rooms-Katholieke Jonge Boerenstand trok hij er avond na avond op uit om boerenzoons voorlichting te geven over hun toekomst. Wellen besefte dat slechts een beperkt aantal van hen het bedrijf van hun ouders zou kunnen overnemen. Voor wie toch boer wilde blijven, was emigratie het alternatief. Als lid van de 'Vestigingscommissie' van de NCB maakte Wellen propaganda voor vestiging van jonge boeren in het buitenland. In 1950 trok hij drie maanden door Canada en de Verenigde Staten om zich ter plekke op de hoogte te stellen van de mogelijkheden daar.

Net als andere NCB-bestuurders dacht Wellen dat jongeren uit agrarische milieus niet warm liepen voor een loopbaan in een andere sector. Hij was tegenstander van campagnes om boerenzoons te interesseren voor een baan in de industrie. Maar bij de opheffing van Vestigingscommissie in 1956 bleek dat Wellen inzag dat de mentaliteit van de jongeren snel veranderd was. Hij constateerde dat zij niet meer zaten te wachten op hulp bij het opzetten van een boerenbedrijf in het buitenland. De weerstand tegen werken in de fabriek was onder de boerenbevolking grotendeels verdwenen. Een vaste baan met een vast inkomen werd als een goed alternatief geaccepteerd.

Inmiddels was Jan Wellen aangesteld als tweede secretaris van de NCB, in 1952 werd hij secretaris en op 1 januari 1957 kreeg hij als directeur-secretaris de leiding over de dagelijkse gang van zaken binnen de organisatie. In die jaren veranderde er veel in de landbouw en Wellen zag de noodzaak in van het verbeteren van scholing en voorlichting en van het uitbreiden van de diensten van de NCB. Het aantal land- en tuinbouwscholen en huishoudscholen van de NCB nam verder toe, de samenwerking met coöperaties als Cehave en Encebe werd intensiever en de NCB ging nieuwe diensten aanbieden. Doel van dit laatste was het bijstaan van de leden op economisch, sociaal-maatschappelijk en juridisch gebied. De Sociaal-Economische Voorlichtingsdienst werd een vertrouwd instituut. Met deze dienst wilde Wellen de afstand tussen de organisatie en de leden verkleinen. Boeren moesten vaak voor advies over eenvoudige problemen naar de kantoren in Tilburg of Veghel reizen. Het idee van Wellen was om per 750 leden één voorlichter aan te stellen die veel gemakkelijker contact kon houden met de leden.

Daarnaast besteedde hij aandacht aan de verbetering van de specialistische hulp. Er kwam onder meer een dienst Grondgebruik tot stand, die advies gaf in kwesties van ruimtelijke ordening, bij aan- of verkoop van een bedrijf of bij onteigening door de overheid. Een nieuwe Coöperatiedienst gaf voorlichting over samenwerking bij aankoop en verwerking van grondstoffen alsmede bij de afzet van de agrarische producten.

De voortrekkersrol die Wellen in de landbouw in het Zuiden speelde, was in Den Haag niet onopgemerkt gebleven. In 1961 benoemde minister van Landbouw, V.G.M. Marijnen, hem tot directeur-generaal van zijn ministerie. Als hoogste ambtenaar kon hij het beleid in het beraad met de minister richting geven. Hij verwachtte geen heil van mammoetbedrijven. De 'kleine' boer moest in zijn ogen op eigen kracht een 'gezonde' boer worden en de overheid diende zich te beperken tot het aanreiken van hulpmiddelen. Dat waren op de eerste plaats de gebruikelijke middelen als onderwijs, voorlichting en onderzoek, maar volgens Wellen kon de overheid meer doen. Bijvoorbeeld een efficiënte bedrijfsvoering mogelijk maken door ruilverkaveling, door borg te staan bij de financiering van investeringen en door, als de beëindiging van het bedrijf de enige optie was, een sociaal verantwoorde afvloeiingsregeling te treffen. Het Ontwikkelings- en Saneringsfonds, dat in 1963 op initiatief van Wellen tot stand was gekomen, vormde in zulke gevallen voor velen een uitkomst. Wellen speelde als directeur-generaal een hoofdrol in agrarisch Nederland. Hij werd zelfs gepolst voor de post van minister van Landbouw, maar hij bedankte voor die eer.

Zijn vertrek bij het ministerie in 1973 kwam voor velen als een verrassing, maar Wellen vond zelf dat hij aan een andere baan toe was. Bovendien verlangde hij terug naar Brabant. Een nieuwe uitdaging vond hij in Tilburg bij de verzekeringsmaatschappij Interpolis. Die was in 1969 ontstaan door een fusie van de verschillende verzekeringsmaatschappijen van de katholieke agrarische organisaties in Nederland. De fusie was geen succes: in 1972 was het bedrijf in de rode cijfers gekomen en het onderzoeksbureau Berenschot concludeerde dat er een sterke algemeen directeur nodig was die de fusiepartners kon integreren in een centraal geleide onderneming. Wellen slaagde erin om de nodige veranderingen aan te brengen in de bedrijfscultuur van Interpolis. Hij trok deskundige adviseurs aan en net als in zijn tijd bij de NCB zorgde hij voor versterking van de band met de achterban. Met het oog daarop werden een agrarisch bureau en gewestelijke colleges in het leven geroepen waardoor de verzekeraar en verzekerden direct met elkaar in contact konden komen. In 1976 was al het personeel vanuit de oude vestigingen naar Tilburg verplaatst en was Interpolis een goed georganiseerd, winstgevend bedrijf dat de groeiende concurrentie met succes het hoofd wist te bieden. Wellen bleef zich inzetten voor de zelfstandigheid van zijn bedrijf. Met name tegen de groeiende invloed van de Rabobank heeft hij zich tot zijn afscheid steeds verzet.

In 1981 nam hij afscheid van Interpolis. 'In het algemeen vind ik dat iemand boven de zestig geen nieuwe dingen meer moet aanpakken. Iets anders is, dat je als toezichthouder toch nog wel een aantal uren nuttig bezig kunt zijn. Ik herinner me altijd zelf heel goed, toen ik als 27-jarige bij de NCB begon, hoe ik tegen een vent van 60, 65 jaar aankeek. Dat vond ik toen een oude man en ik geloof dat jonge mensen van tegenwoordig er nu niet anders over denken'. Hij hechtte niet aan een machtspositie en koesterde geen ambities om in de schijnwerpers te staan. Hij kon goed taken delegeren en had oog voor talentvolle jonge mensen: velen heeft hij naar leidende posities gebracht.

Ook de problemen van de ontwikkelingslanden lagen hem na aan het hart. Van 1975 tot zijn plotselinge overlijden in 1984 was hij voorzitter van de landelijke stichting Mensen in Nood. Een schrijver was hij niet, wel een spreker die tegelijkertijd goed kon luisteren. Discussies gingen bij hem altijd over ideeën, nooit over personen. Het gedachtenisprentje dat bij zijn uitvaart werd uitgereikt, telde maar vier woorden: 'Een waarachtig man geveld'.


Bronnen

• Interviews door J. Selten
• T. Duffhues, Voor een betere toekomst. Het werk van de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond voor bedrijf en gezin, 1896-1996, Nijmegen 1996


Dit artikel verscheen eerder in: J. Brouwers e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noord-Brabanders. Deel 6 (Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, 's-Hertogenbosch 2003).


Auteur: J. Selten

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon