Adriaan van der Willigen (1766-1841)

literator en patriot

Adriaan van der Willigen werd op 12 mei 1766 in Rotterdam geboren als zoon van de streng gereformeerde, oranjegezinde koopman Volkert van der Willigen en Wilhelmina van Heerenveen, dochter van een fabrikant. Hij is ongehuwd en kinderloos overleden op 17 januari 1841 te Haarlem.

Een half jaar na Adriaans geboorte stierf zijn moeder. Haar zus, in Haarlem woonachtig en getrouwd met de patriot A.J. van Eybergen, nam de zorg voor Adriaan op zich. Nadat hij zijn eerste schoolonderwijs in Haarlem had genoten, wilde zijn vader dat hij terugkwam naar Rotterdam om daar voor de koophandel opgeleid te worden. Adriaan gaf er zelf de voorkeur aan in Haarlem te blijven en daar naar de Latijnse school te gaan, hetgeen ook zijn oom liever gezien had. Vader Volkert was echter niet te vermurwen.

De autoritaire houding van zijn vader en diens streng calvinistische levensopvatting gaven Adriaan een gevoel van beknotting en het was vooral om die reden, dat hij in 1785 dienst nam in het leger van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Hij werd als cadet ingedeeld bij een regiment in Nijmegen onder bevel van generaal-majoor Douglas. In de herfst van 1787 stuurde de Pruisische koning Frederik Willem II troepen naar de Republiek om het erfstadhouderschap, dat in 1766 door Willem V was aanvaard, te herstellen. De patriotten bleken niet opgewassen tegen het Pruisische leger en vluchtten massaal het land uit, hoofdzakelijk naar Frankrijk. In een groot aantal plaatsen werden door prinsgezinde militairen plunderingen uitgevoerd. Van der Willigen, intussen bevorderd tot vaandrig, werd met zijn afdeling naar 's-Hertogenbosch gestuurd om de plunderende soldaten te ontwapenen en vast te zetten. Door deze gebeurtenissen verloor hij steeds meer sympathie voor de Oranjepartij: zijn politieke denkbeelden kregen geleidelijk een patriottische kleur. Dit zou in 1789 leiden tot zijn ontslag uit het leger.

Franse invasie
Na enige tijd in Oss te hebben gewoond, waar hij landbouwkundige proeven deed, vestigde Adriaan van der Willigen zich in 1792 in Tilburg, in die tijd een wijkplaats voor patriotten. Hij werd er lid van de 'Vaderlandsche Sociëteit Staats Brabant moe van slaverny, verklaart in het eind zig zelven vry!' Met Pieter Vreede en andere patriotten bereidde hij de Franse invasie in Brabant voor, toen nog in de verwachting dat de revolutie in Nederland weliswaar gesteund door Frankrijk, maar toch met een grote mate van onafhankelijkheid doorgevoerd kon worden. In die verwachting zouden de patriotten danig worden teleurgesteld. In 1794 bereikte het oorlogsfront Tilburg. De economie leed hierdoor veel schade en de werkloosheid steeg snel. Bovendien kreeg de bevolking het zwaar te verduren onder de Fransen. Van der Willigen keerde zich tegen de Franse gewelddadigheden. Hij probeerde uit alle macht de onrechtmatige vorderingen die aan Tilburg werden opgelegd tegen te gaan. Op deze manier wist hij al snel het respect van de overwegend katholieke Tilburgse bevolking te verwerven.

In Tilburg was Adriaan van der Willigen ook op cultureel terrein actief. Mede op zijn initiatief was er een 'liefhebberij-komedie' opgericht. Hier werd in de avonduren toneelgespeeld, muziek gemaakt, gezongen en gedanst. Het toneel was een belangrijke vorm van vertier, waarmee de spanning onder de mensen als gevolg van oorlog en werkloosheid werd ontladen. Tegelijkertijd konden door middel van vaak pamfletachtige stukjes, waarin de bevolking massaal meespeelde, de heilzame gevolgen die van de naderende politieke omwenteling werden verwacht, breed worden uitgemeten. Politieke pamfletten werden in deze tijd vaak in dramatische vorm geschreven, waarschijnlijk lang niet altijd met de bedoeling dat ze ook werden opgevoerd. Het ging er op de eerste plaats om de politieke inhoud in een toegankelijke, voor de lezer herkenbare vorm te presenteren. Van der Willigen lijkt met zijn stuk De Recommandatiebrieven, gepubliceerd in 1800, een gelijksoortig doel beoogd te hebben. Het hoofdthema is de onhebbelijkheid van hebzucht en gierigheid. Daarnaast wordt een wat al te ver doorgevoerde opvatting van de politieke leus 'Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap' belachelijk gemaakt, bijvoorbeeld door een gravin op te voeren die, wanneer een van haar kanaries in de rui is, ze allemaal laat kaalplukken om de gelijkheid te bevorderen.

Ook zijn andere stukken uit deze periode weerspiegelen een revolutionair en verlicht gedachtegoed. In Selico (1794) en Claudine (1797) komen thema's aan de orde als het standsverschil op grond van geboorte - een recht dat in 1794 zwaar onder druk stond en het jaar daarop bij de vestiging van de Bataafse Republiek wettelijk werd uitgesloten. Andere onderwerpen waren de slavernij, waarmee men zich gezien het gelijkheidsbeginsel niet goed raad wist, de schandelijkheid van de wijze waarop de elite het gewone volk verachtte en afperste, en de leefwijze en moraliteit van niet-Europese inheemse volken, waarvan de samenlevingsvormen inspireerden tot nadenken over de te vormen burgerstaten in het verlichte Europa. Van der Willigen beoogde met deze stukken het publiek een zedenspiegel voor te houden die was toegespitst op de actuele Nederlandse politieke en morele vraagstukken.

Het respectabele aanzien dat Van der Willigen genoot onder de Tilburgse bevolking leidde op 12 april 1795 tot zijn verkiezing tot schepen. Bijna twee maanden later werd hij - zeer tegen de zin van de Graaf van Hogendorp, heer van Tilburg en Goirle - de eerste gekozen drossaard van Tilburg. Eind augustus 1795 stuurde de Tilburgse Vaderlandsche Sociëteit hem, samen met Anthoni Verbunt, als gecommitteerde of 'plaatsvervangend provisioneel representant' van Bataafs Braband naar de Centrale Vergadering in Den Haag. Tijdens deze acht dagen durende bijeenkomst werd de Nationale Vergadering geproclameerd. In Den Haag heeft Van der Willigen, samen met de andere Brabantse representanten, ongetwijfeld krachtig gepleit voor een gelijkwaardige positie van het Generaliteitsland Brabant in de nieuw te vormen Bataafse Republiek. Hij was van mening dat het Brabantse volk zich terecht verzette tegen de ondergeschikte status ten opzichte van de noordelijke gewesten van de Republiek. Dit pleidooi zou uiteindelijk in het voorjaar van 1796 leiden tot de erkenning van Bataafs Braband als zelfstandig gewest

Tijdens de vergadering in Den Haag rees er ook een conflict over het al dan niet toelaten van joodse gecommitteerden die tot de Amsterdamse sociëteit Felix Libertate behoorden. Van der Willigen nam een voor zijn tijd uitermate progressief standpunt in. Hij schreef in zijn dagboek: 'Onder de lieden die het wel meenden in de vergadering bevonden zich echter baarblykelyk ook eene menigte intriganten en zelfs liederlyke knapen. Sommige uitgeweken Bataaven hadden daarin ook zitting. Het was eene verwarden hoop; aan de eenen kant naar het scheen zeer vrydenkend en aan den anderen weder zeer bevooroordeeld, gelyk bleek toen men er twee of drie zeer geschikte Amsterdamsche jooden uit wilde weeren, NB omdat ze jooden waren, waartegen ik my echter met vrucht hielp verzetten.' Ruim een jaar later, op 2 september 1796, zouden de joden in Nederland per decreet dezelfde rechten als niet-joden krijgen.

Na de staatsgreep van 1798 kreeg Adriaan van der Willigen het steeds moeilijker met de politieke koers die gevolgd werd. Hij had vooral kritiek op de handelwijze van het Uitvoerend Bewind, waarin onder anderen zijn stadsgenoot en vriend Pieter Vreede zitting had genomen. P. Loosjes schreef in zijn Vaderlandsche Historie (1807), dat het Uitvoerend Bewind zich bij de Nationale Vergadering had beklaagd over de geringe bereidheid van capabele burgers om belangrijke posten in de nieuwe staatkundige constellatie te vervullen, hetgeen was uitgelegd als een gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel voor het vaderland. Daarop werd besloten onwillige burgers hun stemrecht te ontzeggen en uit de Bataafse Republiek te verbannen. Ook Van der Willigen was voor een van de nieuwe posten in Den Haag gevraagd, maar hij had geweigerd. Tegen hem werden echter geen maatregelen genomen. Wellicht was dat een direct gevolg van zijn vriendschap met Pieter Vreede, maar het is ook aannemelijk dat de beschuldiging van een gebrek aan vaderlandsliefde of loyaliteit aan de idealen van de revolutie niet kon worden hard gemaakt.

Door de staatkundige veranderingen na de staatsgreep van 1801 zag Van der Willigen zich genoodzaakt om de functie van drossaard van Tilburg neer te leggen. Hij schreef dat de nieuwe staatsregeling niet meer strookte met zijn manier van denken. Met zijn ontslag als drossaard, met ingang van 1 januari 1802, nam hij afscheid van Noord-Brabant. Van 1802 tot 1805 verbleef Van der Willigen in Parijs. Daarna vestigde hij zich in Haarlem, waar hij een belangrijke rol in het culturele leven ging spelen. In deze jaren zou hij vooral bekend worden als schrijver - samen met Roeland van Eynden - van de Geschiedenis der vaderlandsche schilderkunst sedert de helft der XVIII Eeuw, die in drie delen en een supplement tussen 1816 en 1840 verscheen. Twee maanden na de publicatie van het supplement stierf Adriaan van der Willigen te Haarlem.


Bronnen

• A.J. Hanou, 'De literator Adriaan van der Willigen (1766-1841) en "De Edelmoedigheid" te Den Bosch", 's-Hertogenbosch 5 (1997), nr. 4, 117-130.
• L. van der Heijden, 'Ádriaan van der Willigen 1766-1841. Schrijver, liefhebber en criticus van het toneel rond 1800'. Doctoraalscriptie Historische Letterkunde. Instituut voor Neerlandistiek. Universiteit van Amsterdam, 1995.
• J.A.A.M. Pieterse, 'Adriaan van der Willigen 1766-1841', De Lindeboom, jaarboek IX-X, Tilburg 1986, 119-165.
• L.G. de Wijs, Uit het dagboek van Adriaan van der Willigen. Drossaard in Tilburg 1795-1802, Tilburg 1939.
• Adriaan van der Willigen, Memoires 1766-1840 (werktitel), editie Lia van der Heijden (verschijnt in 2000 in de reeks 'Egodocumenten' bij uitgeverij Verloren, Hilversum).
• A. van der Willigen Pz., 'Nader berigt wegens A. van der Willigen en zijne geschriften', Kunst en letterbode 1841, 387-393.


Dit artikel verscheen eerder in: P. Timmermans e.a. (red.), 
Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 5 (Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Heeswijk 1999).


Auteur: Lia van der Heijden

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon