Johan de Wyse (1636-1725)

koopman en kloosterstichter

Johan Gerardsz. de Wyse werd op 25 november 1636 in Breda geboren als zoon van de zeepzieder Gerard Jansz. de Wyse en Maria Sprong. Na de dood van zijn vader nam hij de zaak over en ontwikkelde hij zich tot een zeer succesvol koopman. In 1671 trouwde hij met Ida van Rucphen met wie hij in 1686 het nog steeds bestaande kapucijnenklooster van Meersel-Dreef stichtte. Johan de Wyse is overleden op 17 december 1725 te Breda.

De familie De Wyse kwam oorspronkelijk uit 's-Hertogenbosch. De eerste De Wyse die we in Breda tegenkomen is Jan Gerrit Aartsz. die in 1586 wordt vermeld als bierbrouwer. Een zoon van deze Jan, Gerard genaamd, huwde in 1634 met Maria Sprong, de dochter van schepen Huybrecht Sprong. Huybrecht was een overtuigd katholiek. Nadat Breda in 1625 voor de Spaanse veldheer Spinola had gecapituleerd, was hij benoemd tot schepen. Zo was hij nauw betrokken geweest bij de vestiging van een jezuïetenklooster dat in 1626 tot stand was gekomen. Ook later had hij opgetreden als zaakwaarnemer van de in de stad gevestigde kloosters van de jezuïeten en de kapucijnen.

In 1638 werd Gerard Jansz. de Wyse vermeld als zeepzieder in een huis aan de Lange Brugstraat dat de naam droeg van 's-Hertogenbosch. Dit bedrijf was kort voor 1590 door een andere, uit 's-Hertogenbosch afkomstige familie opgericht. Gerard breidde de zaak uit met een door wind aangedreven oliemolen, waarvoor hij in 1648 een vergunning kreeg van de Nassause Domeinraad. In 1649 werd hij samen met onder meer Dionys van Rucphen lid van het toen gevormde kerkbestuur, dat erin slaagde de katholieke zielzorg te reorganiseren.

De Bredase samenleving kende in deze tijd een grote dynamiek. Het inwonertal bedroeg in 1640 ongeveer 4.000 burgers, waaraan dan nog een garnizoen van naar schatting 3.000 soldaten moet worden toegevoegd. De stad was het bestuurlijke, rechterlijke en economische centrum van de Baronie van Breda. De belangrijkste exportnijverheid waren de bierbrouwerijen. Daarnaast waren de leerlooierijen, blekerijen en textielververijen van belang. Bij de handel valt die in graan in het oog. Ook de interregionale handel op Luik en omgeving, die gebruik maakte van de landroute door de Kempen, vormde een stuwende sector. De turfvelden ten zuidwesten van de stad leverden goedkope brandstof. Voor een talentvol koopman vielen er in Breda goede zaken te doen.

Na de dood van Gerard Jansz. de Wyse in 1659 namen zijn zoons Johan en diens jongere broer Cornelis de zaken over. Op 21-jarige leeftijd reisde Johan naar Frankrijk. Deze tocht zal verband hebben gehouden met zakelijke transacties. In de jaren '60 wordt vermeld dat hij in Gdansk verbleef. Deze Poolse stad bezocht hij om er potas en wedeas, onmisbare grondstoffen voor de zeepfabricage, in te kopen. De gebroeders De Wyse lieten ook potas uit Amsterdam aanvoeren. Daarnaast handelden zij, evenals hun vader, in diverse producten.

Als gevolg van een reeks procedures tussen de erfgenamen van Gerard de Wyse - een gevolg van het feit dat Gerard kinderen uit twee huwelijken achterliet - kwam het pas in 1667 tot een verdeling van de boedel. De tweede vrouw van Gerard, Anna Marcelisdr., had zich inmiddels in Antwerpen gevestigd en was daar hertrouwd met Gaspar Schrynmakers. Met deze koopman, die in 1701 kantoor hield in Cadiz (Spanje), dreef Johan eveneens handel.

De zaken verliepen zo voorspoedig, dat Johan de Wyse geld overhield. Dit gebruikte hij om het van zijn vader geërfde bezit in Kaarschot onder Rijsbergen uit te breiden. Van de prins van Oranje kocht hij heidegrond aan om deze te ontginnen. Het afval van de zeepziederij diende daarbij als mest. De gebroeders waren ook betrokken bij de uitbating van de turfvelden onder Zundert en Rijsbergen. De Bredase compagnie van de 'gemoerdens' had in 1618 een kanaal laten graven om het bruine goud naar de stad te laten verschepen. De turf werd verkocht of verstookt in de zeepziederij.

In 1671 trouwde Johan de Wyse met Ida van Rucphen, de dochter van de al genoemde Dionys. Broer Cornelis huwde even later met Maria, de zuster van Ida. De moeder van deze vrouwen was Aleid van Bernagie. Cornelis was toen griffier van het leenhof van de heer van Breda. De familie Van Bernagie behoorde reeds in de zestiende eeuw tot het Bredase patriciaat. De meeste leden ervan waren bierbrouwer, maar de familie telde ook bestuurders onder haar leden. De voornaamste was Gooswyn van Bernagie, die in 1663 werd benoemd tot stadhouder van de drossaard van stad en land van Breda. De stadhouder had, omdat de drossaard veelal afwezig was, in Breda veel te zeggen. Door het dubbele huwelijk kregen de gebroeders toegang tot de kringen rond de prins van Oranje, een persoon om wie geen enkele ondernemer heen kon. Met de prins deelde Johan zijn liefde voor de jacht. De heidevelden rond zijn hoeve in Kaarschot boden daar ruim de gelegenheid voor. De relatie met de prins van Oranje verhinderde niet dat beide broers De Wyse, evenals hun vader, zitting hadden in het Bredase kerkbestuur. De huizen aan weerszijden van de zeepziederij waren in gebruik als schuilkerk.

Een nieuwe onderneming was de pacht van de inkomsten uit het graafschap Hoogstraten. In 1678 nam een consortium van lokale notabelen en Bredase ondernemers deze inkomsten in pacht van Maria Gabriëla van Salm geboren De Lalaing. De onderneming was geen succes: het kwam tot juridische procedures, maar Johan - een van de deelnemers in het consortium - kon zo wel gemakkelijker in contact komen met de gravin.

Johan en Ida kregen uit hun huwelijk vier kinderen, maar deze stierven alle jong. In 1686 stond voor hen vast dat zij kinderloos zouden overlijden. Het besluit viel toen om een deel van het vermogen te bestemmen voor de stichting van een klooster. Dit zou gevestigd worden in het dorpje Meersel, gelegen ten zuiden van Breda even over de grens met Spaans-Brabant. Een andere broer van Johan was franciscaan, wat de keuze voor de orde van de kapucijnen niet moeilijk maakte. De orde der Kapucijnen is immers een aftakking van de Franciscaner orde. Gravin Maria Gabriëla, die de katholieke zaak zeer was toegedaan, was eveneens bereid mee te werken. Zij schonk een perceel van ongeveer 2,5 hectare heidegrond in Meersel aan het nieuwe door Johan en Ida te bouwen klooster. Toen Ida in 1692 overleed werd zij in de pas in gebruik genomen kloosterkerk begraven. Tot aan zijn dood schonk Johan geld en goederen in natura aan het klooster, dat zich steeds meer uitbreidde en veel bezoekers trok vanuit Staats-Brabant.

Aan het eind van de jaren '80 besloot stadhouder Willem III (1650-1702) dat zijn paleis in Breda moest worden afgebouwd en wel naar het oorspronkelijke uit de zestiende eeuw stammende ontwerp. Johan de Wyse werd benoemd tot 'directeur', hetgeen betekende dat hij toezicht moest houden op de bouwwerkzaamheden en dat hij verantwoordelijk was voor de uitbetaling van de lonen. De kosten van dit project bedroegen ten minste ƒ 150.000,=. Johan genoot duidelijk het vertrouwen van de prins en het verschil in religieuze gezindte vormde geen beletsel voor deze opdracht.

Met het klimmen der jaren namen de activiteiten van de beide broers niet af. In de protocollen komen we Johan en Cornelis de Wyse tegen als kopers van een blekerij en van boerenhoeven. Zij begaven zich in de handel in Berberwol, zout, kant en rietsuiker. Als katholiek kwamen zij niet in aanmerking voor overheidsfuncties. Met name Johan genoot echter zo veel aanzien dat het stadsbestuur en de Nassause Domeinraad hem ontzagen en ingingen op zijn verzoeken om kleine privileges. Johan schoot ook geld voor aan de dorpsbesturen van Zundert en Rijsbergen.

Cornelis de Wyse overleed in 1704. Johan overleed pas, bijna 90 jaar oud, op 27 december 1725 in zijn woonhuis aan de Nieuwstraat in Breda. Op 30 december 1725 werd hij begraven in de kerk van 'zijn' klooster in Meersel-Dreef. Samen met zijn vrouw ligt hij daar nog steeds onder een grote, maar sober uitgevoerde zerk pal vóór het hoofdaltaar.


Bronnen

• P. Hildebrand, De Kapucijnen in de Nederlanden en het prinsbisdom Luik V, Antwerpen 1950, 167-200
• J.L.M. de Lepper, 'De Bredase katholieken tussen 1637 en 1666', in: Jaarboek De Oranjeboom XIX (1966), 32-68
• J.L.M. de Lepper, 'De Bredase schuilkerken', in: Jaarboek De Oranjeboom XXIII (1970), 14-34
• J.L.M. de Lepper, 'De schuilkerk in bedrijf', in: Jaarboek De Oranjeboom XXIV (1971), 95-125
• Gemeentearchief Breda, Protocollen schepenbank Breda en notarissen te Breda


Dit artikel verscheen eerder in: P. Timmermans e.a. (red.), 
Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 5 (Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Heeswijk 1999).


Auteur: Ton Kappelhof

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon